- PO
- partner
- publicatie datum
- 14-01-2009
In groep 3 gaan de leerlingen echt leren rekenen. Eindelijk krijgen ze dan sommetjes en ze zijn er trots op dat ze al snel sommetjes kunnen maken zoals 2+2 en 10+10. Soms kennen ze deze sommen trouwens al in de kleutergroep.
Meestal zijn dat losse feitjes die ze geleerd hebben als een vast zinnetje: "twee en twee is vier". Deze kennis hoeft nog niet te betekenen dat ze ook echt begrip hebben van optellen en aftrekken en op welke manieren je dergelijke sommen kunt uitrekenen.
Aan dit formele rekenen gaan verschillende activiteiten vooraf. Leerlingen leren tellen, leren getallen herkennen en schrijven en leren via 'pijlentaal' kennismaken met de begrippen 'erbij' en 'eraf'. Vervolgens wordt de pijlentaal door rekensymbolen, + en - vervangen en ontstaan er 'echte sommen'. Meestal leren leerlingen dergelijke opgaven, in context en in formele notatie uitrekenen door te tellen: erbij te tellen, of terug te tellen. 5+3 wordt dan uitgerekend door 'drie' door te tellen vanaf 5: 6,7,8. Niet zelden zien we leerlingen hun vingers gebruiken om de tel bij te houden. Bij kleine hoeveelheden lukt dat wel, maar naarmate leerlingen met grotere getallen moeten rekenen voldoet tellen niet meer, omdat het langer duurt en de kans op fouten vergroot.
In de rekenlessen leren leerlingen verschillende strategieën om van dit tellen af te zien. Een strategie daarbij is gebruik maken van getalbeelden en dan met name die met een vijfstructuur. De vijfstructuur kennen de leerlingen van hun handen: 5 is een hele hand, en met nog drie vingers daarbij, zijn het er 8. Na wat oefenen hoef je dat niet meer te tellen, dat wéét je gewoon.
Het rekenrek is een rek met 20 kralen, waarop de kralen zijn gestructureerd volgens de vijfstructuur. Leerlingen leren getalbeelden: 8 is een groep van 5 rode kralen en 3 witte, 9 is 5 en 4, en 16 is bijvoorbeeld 5 rode en 5 witte kralen boven, en dan nog een groep van 5 rode kralen onder, én één witte kraal onder.
In de leerlijn optellen en aftrekken onder 10 en 20 leren de leerlingen deze getalbeelden vlot herkennen, zodat ze bij het rekenen niet meer alles één voor één hoeven tellen. Het is dan ook aan te bevelen, de leerlingen deze beelden in een vroeg stadium te laten leren, gekoppeld aan hun ervaringen met de getalbeelden op hun handen, zodat ze zich niet eerst de strategie van tellen aanleren, waar ze vervolgens moeilijk nog van kunnen afkomen. Immers, met tellen kom je toch ook aan een antwoord?
Het gericht oefenen van getalbeelden kan met verschillende spelletjes en activiteiten. Eerst wordt geoefend om strategieën te leren waarmee leerlingen vlot leren tellen. Daarna oefenen ze met het herkennen en benoemen van de getalbeelden.
Heeft u zich in dit dossier verdiept?
Beantwoord ten behoeve van onderzoek naar de effectiviteit van Leraar24 deze korte vragenlijst over hoe u dit dossier ervaren heeft. Elk kwartaal worden 10 dvd-boxen met aansprekende films onder de respondenten verloot.
Reacties