- VO
- partner
- publicatie datum
- 15-01-2009
Stationenlernen, ook wel ‘Lernzirkel' genoemd, is een didactische werkvorm voor zelfstandig leren, zelfontdekkend leren, samenwerkend leren en differentiatie. De oorsprong ervan ligt in de circuittraining, die bekend is uit het bewegingsonderwijs.
Stationenlernen is een vorm van actief leren, waarbij een thema langs verschillende wegen benaderd wordt. Er worden Stationen of leereilanden ingericht, waaraan leerlingen zelfstandig, individueel of samenwerkend kunnen werken aan opdrachten, die steeds een ander aspect of invalshoek van het gekozen thema vertegenwoordigen.
Soms kunnen de leerlingen kiezen aan welke opdracht zij willen werken. De leerlingen zijn op hun eigen niveau bezig. Zo kunnen zij hun mogelijkheden beproeven en hun prestatievermogen bevestigd zien. Elke taak zou tot een succeservaring moeten leiden en aanzetten tot meer.
Er zijn meer kenmerken die Stationenlernen tot een waardevolle didactische werkvorm maken. Voor leerlingen is Stationenlernen als oefenomgeving interessanter dan saaie herhalingsoefeningen. Stationenlernen biedt ruimte voor speelse elementen en biedt de nodige afwisseling. Een voordeel voor het basisonderwijs is dat deze werkvorm gelijkenis vertoont met het vrij werken in de onderbouw, het vroegere kleuteronderwijs. Zo ontstaat continuïteit in de didactiek. Een zeer belangrijk kenmerk is dat alle leerlingen gelijktijdig bezig zijn, hetgeen Stationenlernen tot een efficiënte vorm van activerende didactiek maakt. De reacties van leerlingen zijn positief.
De uitvoering kent in vier fasen. De eerste bestaat uit een inleiding op het thema, een begingesprek of activering van aanwezige kennis. De tweede fase is een rondgang met uitleg langs de verschillende leereilanden. Voor leerlingen die niet bekend zijn met deze werkvorm is dit tevens een introductie. Fase drie omvat het werken aan de opdrachten. In de laatste fase rapporteren de leerlingen over hun bevindingen, de behaalde resultaten, producten enz.
De leereilanden moeten aan bepaalde voorwaarden voldoen. Zo worden ze omwille van overzicht en oriëntatie genummerd. Leerlingen moeten elk leereiland kunnen doorlopen zonder ondersteuning van de leraar, zo nodig met een korte handleiding. De gevraagde prestatie moet haalbaar zijn. Uitwerkingen moeten door de leerlingen zelf gecontroleerd kunnen worden. De opdrachten moeten differentiatie naar tempo en niveau mogelijk maken. Er moet een goede afwisseling zijn tussen leren en doen. In principe hebben de leerlingen vrije keuze uit de leereilanden, maar een begonnen opdracht moet worden afgemaakt. Ook de volgorde van het doorlopen van de leereilanden kan aan de leerlingen worden overgelaten. De leerlingen helpen elkaar en controleren elkaars werk.
Het werk van de leraar concentreert zich in de voorbereiding en de evaluatie. Het ontwikkelen van goed materiaal is een pittige opgave. Tijdens het werk van de leerlingen is de leraar vooral begeleider en geeft de leraar zo min mogelijk inhoudelijke sturing.
Reacties