Literatuuronderwijs is blijvend favoriet als onderzoeksveld. Daardoor zijn er veel onderzoeksgegevens beschikbaar over bijvoorbeeld de vraag wat de attitude van leerlingen in het VO is ten aanzien van het lezen van boeken. Dit globale onderzoeksthema is onder te verdelen in een groot aantal verwante onderzoekstradities die ingaan op de vraag hoe leerlingen het gelezene beleven, wat het met ze doet en hoe ze het waarderen, en op de vraag hoe het onderwijs leerlingen tot lezen kan motiveren.
Onderzoek laat ook verschillende routes naar vakinhoudelijke vernieuwing zien, zowel in de onderbouw (verbreed aanbod van fictie via strips, populaire fictie, niet-schriftelijke fictie) als in de bovenbouw (verbreed aanbod van fictie via adolescentenromans en multiculturele teksten). In zowel onderbouw als bovenbouw zien we daarnaast een toegenomen aandacht voor bijvoorbeeld emotionele betrokkenheid, en literaire ontwikkeling, kortom voor de leerling en zijn leesproces als onderwerp van onderzoek en ontwikkeling.
In het Referentiekader Taal is dit onderwerp in het domein Lezen uitgewerkt als het subdomein ‘Lezen van fictieve, narratieve en literaire teksten’. De kenmerken van de taken die leerlingen op dit vlak moeten kunnen uitvoeren, hebben betrekking op het begrijpen, interpreteren en evalueren van deze teksten.