- PO
- partner
- publicatie datum
- 02-09-2009
Het syndroom van Down is een aangeboren afwijking die gepaard gaat met een lichte tot ernstige verstandelijke beperking. Kinderen met het Downsyndroom ontwikkelen zich langzamer dan andere kinderen, zowel verstandelijk als lichamelijk. Maar er is een grote variatie in ontwikkeling mogelijk. Naast aanleg zijn de mogelijkheden die een kind krijgt essentieel bij de ontwikkeling.
In Nederland zijn jaarlijks zo'n 2400 kinderen met Downsyndroom leerplichtig. Ongeveer zestig procent hiervan meldt zich op een reguliere school. Het doel van het ‘Weer Samen Naar School'-beleid van de overheid is om leerlingen met een handicap zoveel mogelijk te integreren in het reguliere onderwijs. De invoering van de leerlinggebonden financiering (het ‘rugzakje') is een van de maatregelen die tot meer integratie moet leiden.
Succesfactoren voor een goede integratie:
- Een goede samenwerking en vertrouwensrelatie tussen ouders, groepsleraren, remedial teachers en andere betrokkenen.
- Emotioneel sterke ouders die erin geloven dat integratie mogelijk is.
- Leraren die open staan voor het omgaan met verschillen en het als een positieve uitdaging zien om het kind met Downsyndroom aan de slag te gaan.
- Scholen kunnen de extra begeleiding van een leerling met Downsyndroom financieren uit de leerlinggebonden financiering en het persoonsgebonden budget.
De spraak/taalontwikkeling blijft bij kinderen met Downsyndroom vaak achter. Toch is het belangrijk om spraak te ‘eisen'. Laat het kind veel dingen systematisch benoemen en ondersteun spraak visueel met bijvoorbeeld gebaren en/of plaatjes. Gebruik korte zinnen, gun het kind de tijd om de zinnen te verwerken en te reageren. Ook kan je spraakproblemen soms omzeilen door een kind aan te laten wijzen in plaats van te praten. De spraakontwikkeling loopt vaak achter bij het taalbegrip. Ga bij het inschatten van wat het kind begrijpt dus niet uit van hoe het praat.
Kinderen met Downsyndroom hebben meestal een minder goede werkhouding. Wissel daarom moeilijke en makkelijke taken af, integreer een ´saaie´ taak in een activiteit die het kind aanspreekt, stel een beloningssysteem in, creëer enige keuzevrijheid, stel duidelijke eisen, biedt meer hulp bij moeilijke taken en prijs het kind uitdrukkelijk voor goed werkgedrag. Een duidelijk overzicht van een dagtaak kan ook helpen.
Een kind met Downsyndroom heeft het meeste baat bij een zo groot mogelijke participatie in het ‘normale' programma van de klas. Het leidt tot meer gedeelde ervaringen en dit draagt bij aan de mate waarin het kind door zichzelf en door klasgenoten als lid van de groep wordt gezien. Als het nodig is, kan het kind ondersteund worden door bijvoorbeeld de eisen aan te passen, het kind één-op-één voor te bereiden en tijdens de activiteit extra begeleiding in te zetten. Biedt meerdere malen per week korte begeleidingsmomenten aan in plaats van alles op één dag.
Reacties