- MBO
- partner
- publicatie datum
- 14-01-2009
Al eeuwenlang komen diverse etnische en culturele groeperingen naar Nederland. Naast vluchtelingen kwamen er in de afgelopen eeuwen al vele arbeidsmigranten uit Duitsland en Oost-Europa.
Tussen 1960 en 1968 haalde Nederland via wervingscampagnes ‘gastarbeiders’ uit met name mediterrane landen. Eerst uit Spanje, Italië, Griekenland, later uit Turkije en Marokko. Men dacht dat de werknemers na een aantal jaren hard werken, met het gespaarde geld zouden terugkeren naar het land van herkomst. Dit pakte anders uit: terugkeer was voor de meeste migranten economisch gezien onaantrekkelijk en zij besloten voorlopig in Nederland te blijven (van Keulen & van Beurden, 2002).
Op mbo-scholen in de grote steden vormen allochtone leerlingen meer dan de helft van de populatie. De totale populatie van mbo-scholen (circa 500.000 leerlingen) bestaat voor 70% uit autochtone leerlingen. De meeste allochtone leerlingen zijn afkomstig uit Turkije, Marokko, Suriname, de Nederlandse Antillen en Aruba.
Van allochtone leerlingen in het mbo is bekend dat hun schoolprestaties achterblijven en dat zij een taalachterstand hebben. Bovendien ervaren deze leerlingen de school en hun docenten vaak anders dan Nederlandse leerlingen. Zo blijken allochtone leerlingen hun docenten dominanter, maar ook vriendelijker en begripvoller te vinden (Tielman, 2009).
Veel mbo-leerlingen met een niet-westerse achtergrond volgen onderwijs op niveau 1, dat levert geen startkwalificatie op. En dat is vaak een gevolg van een gebrekkige taalbeheersing. Uit diverse onderzoeken naar het verwerven van de benodigde kwalificaties blijkt dat er in het middelbaar beroepsonderwijs een verbeterslag moet worden gemaakt om te komen tot effectief taalonderwijs. Want de beheersing van de Nederlandse taal is één van de belangrijkste kerncompetenties van beroepskrachten (De kleur van het mbo, n.d.)
De laatste jaren heeft taaldidactiek in het mbo veel aandacht gekregen. De invoering van het referentiekader voor taal en rekenen heeft de aandacht voor het taalonderwijs in het mbo verscherpt. Om de prestaties van leerlingen op het gebied van taal en rekenen te verbeteren, zijn richtlijnen ontwikkeld. In deze richtlijnen staat omschreven wat leerlingen moeten kunnen en kennen op bepaalde momenten in hun schoolcarrière. Deze richtlijnen zijn de zogenaamde referentieniveaus. Alle richtlijnen samen vormen het referentiekader voor taal en rekenen. Het referentiekader vormt sinds augustus 2010 de basis voor het taalonderwijs en rekenonderwijs van basisonderwijs tot middelbaar beroepsonderwijs.
Reacties