GLOBE is het door Al Gore opgezette onderwijsprogramma rond wetenschap en milieu. Leerlingen in 110 landen verzamelen in samenwerking met wetenschappers gegevens over het mondiale milieu.
Leerlingen kunnen onderzoek doen naar bodemleven, het weer/klimaat of naar stof- en roetdeeltjes in de lucht (aerosolen). Zij noteren hun meetgegevens en voeren deze via internet in een database in zodat ze beschikbaar zijn voor onderzoekers en leerlingen overal ter wereld.
In Nederland gebruiken onderzoekers van onder andere KNMI, RIVM en Wageningen Universiteit de gegevens voor hun onderzoek. Doordat leerlingen op internet kunnen zien dat hun metingen daadwerkelijk worden gebruikt voor wetenschappelijk onderzoek, gaan ze zeer nauwkeurig meten en raken ze actief betrokken bij milieuvraagstukken. Daarnaast krijgen leerlingen en leraren tijdens speciale trainingsdagen de kans om op wetenschappelijke instellingen rond te kijken en contact te krijgen met onderzoekers.
Vakoverstijgend onderwijs
Globe kan worden ingezet bij verschillende vakken, maar het leent zich ook goed om vakoverstijgend onderwijs in te richten. Een belangrijke richtlijn vanuit het ministerie om meer samenhang te brengen tussen verschillende leergebieden en de vakken meer op elkaar af te stemmen.Voorstanders zeggen dat vakoverstijgend onderwijs leidt tot: 1+1=3. Het geeft leerlingen meer inzicht in de materie, ze zien verbanden beter, en zijn daardoor meer in staat om de verworven kennis en inzicht toe te passen. Tegenstanders stellen dat 'beter verbanden zien' beperkt meetbaar is. Absolute voorwaarde is dat leraren elkaars vak serieus nemen. Men moet nadenken over elkaars vak. Verder is het van belang dat de schoolleiding tijd vrij maakt voor de leraren om het vakoverstijgend onderwijs goed op te zetten.
Begeleiden van onderzoek
De kern van Globe is het doen van natuurwetenschappelijk onderzoek. Onderzoeksvaardigheden zijn belangrijk in het onderwijs. Zo moeten leerlingen praktische opdrachten uitvoeren en een profielwerkstuk maken. De Globe-metingen kunnen hiervoor gebruikt worden. De begeleiding van de leraar bij het doen van onderzoek kan verschillen. De ene leraar neemt het hele leerproces uit handen door sterk structurerende opdrachten te gebruiken of sterk structurerend te begeleiden, de andere leraar laat juist het hele leerpreces over aan de leerlingen, door zeer open opdrachten te gebruiken en geen feedback te geven op het product en het leerproces.Er wordt onderscheid gemaakt tussen productgerichte begeleiding (bijvoorbeeld het aanreiken van deelvragen), procesgerichte begeleiding (bijvoorbeeld het aanreiken van een aanpak om tot deelvragen te komen) en begeleiding van de samenwerking (bijvoorbeeld het stimuleren van leerlingen om elkaars ideeën over onderzoek kritisch te bediscussiëren). Uit onderzoek is gebleken dat vooral de begeleiding van de samenwerking bijdraagt aan de kwaliteit van de interactie tussen leerlingen tijdens het ontwerpen van onderzoek.