Inloggen mijn Video's

Leraar24.nl

Video's en dossiers voor de onderwijspraktijk

Oefenen kan effectiever!

  • PO
partner
Leraar24
publicatie datum
14-01-2009

De leercyclus bestaat uit vier fasen. In de 1e fase maakt de leerling kennis met de nieuwe leerstof. Deze oriëntatie moet de leerling duidelijk maken waarover de leerstof gaat, wat er te leren is en wat mogelijke valkuilen zijn. Daarom moet de leraar ervoor zorgen dat de leerlingen zelf actief zijn, aan het denken en/of handelen worden gezet. De leraar zal daarom (open) vragen stellen of een opdracht geven waaraan de leerlingen (bijvoorbeeld in tweetallen) gaan werken om de essentie te ontdekken. Dit is te zien als een eerste vorm van oefenen. De leerlingen gaan na of zij het op te lossen probleem herkennen, of zij snappen wat er te leren is.

Daarna bespreekt de leraar al deze ervaringen en legt accenten op de essentiële ontdekkingen en opmerkingen. Wanneer de cyclus is gericht op het leren herkennen van essentiële kenmerken of op het hanteren van een bepaalde aanpak, dan zal de leraar de leerlingen laten horen welke keuzes tijdens dat proces van herkennen allemaal nodig zijn (modelleren).

In de oefenfase is het nog niet van belang of het antwoord helemaal correct is, maar wel of de leerlingen weten welke vragen zij zichzelf moeten stellen. Bijvoorbeeld het leren herkennen van getalbeelden is gebaseerd op het kennen van de structuurkenmerken (de stippen op een dobbelsteen, aantal rode kralen op het rekenrek). Daarom moet de leerling zich leren afvragen welke structuur te herkennen is en waaraan te zien is welke hoeveelheid daarbij hoort. De juiste eerste vraag kunnen stellen is daarom essentieel voor het vervolg. Leraren die zijn gewend de leerling op weg te helpen naar het goede antwoord, zullen geneigd zijn die eerste vraag al zelf te stellen. Als de leerling daarna alleen aan het werk moet, slaat vaak de twijfel toe en lukt het niet.

Wanneer de 1e fase goed uit de verf is gekomen, dan weten de leerlingen waarmee ze moeten oefenen in de 2e fase. Hierbij staat één van deze vragen centraal: "kan ik het al?", "weet ik het al of herken ik het al?". Oefenen in deze 2e fase betekent vrijwel altijd: herhalen tot het (beter) lukt. Dat vraagt van de leraar niet alleen hierbij passende opdrachten en ruimte om de leerlingen samen te laten werken, maar vooral ook het afleren van feedback via de antwoorden. Leerlingen zijn geneigd vast te houden aan een aanpak die ze gewend zijn, zeker als die tot goede antwoorden leidt. Door al tijdens deze 2e oefenfase (soms onbedoeld) te benadrukken dat het toch om dat antwoord gaat, worden de leerlingen niet gestimuleerd te oefenen met een andere, meer wenselijke aanpak.

In de 3e fase mag de leerling bewijzen dat het oefenen resultaat heeft gehad. Dat kan die leerling alleen als bewust en doelgericht is geoefend. Al voor hij begint moet de leerling weten of hij in staat is de toets goed te doen.

In de 4e fase past de leerling de verworven kennis of vaardigheid toe: in moeilijker opgaven, in complexe bewerkingen, in contexten. Bij deze fase gaat oefenen vanuit vragen zoals: "Kan ik het nog?", "Kan ik het nog sneller?" 

 

Plaats een reactie

Reacties

Er is nog niet gereageerd