- VO
- MBO
- partner
- publicatie datum
- 16-11-2009
In het reguliere voortgezet onderwijs zijn leerlingen met het syndroom van Down een zeldzaamheid. Op de reguliere basisscholen starten er per nieuw schooljaar zo’n 150 leerlingen met het syndroom van Down, in het voortgezet onderwijs zijn dit er slechts 5 à 10. Dit aantal stijgt langzaam, maar bij elkaar zitten er hooguit 30 leerlingen op een school voor regulier voorgezet onderwijs. Een diploma wordt maar zelden gehaald. Tot nu toe zijn ongeveer 5 leerlingen uiteindelijk geslaagd voor hun VMBO diploma.
Een klein aantal leerlingen met het Downsyndroom volgt MBO-onderwijs op een ROC. Dit kan na het afronden van een reguliere VMBO-school, maar in principe ook nog na een aantal jaren voortgezet speciaal onderwijs. Enkele leerlingen hebben zelfs een diploma behaald. Meestal is het behalen van een diploma niet het doel, gewoon meerdraaien op een reguliere school wel.
Het is praktisch gezien voor een school in het voortgezet onderwijs ingewikkelder dan voor een basisschool om een leerling met het syndroom van Down goed onderwijs te bieden. Een VMBO school kan met aanpassingen een leerling met syndroom van Down veel bereiken. De school werkt mee aan een goede ontwikkeling van de leerling. De leerling wordt via stages voorbereid op de overgang naar werk.
Om de aanpassingen voor de leerlingen te realiseren kan er ‘Leerlinggebonden financiering’ (ofwel het ‘rugzakje’) worden aangevraagd. Verder zouden scholen kunnen overwegen om in overleg met de ouders gelden uit het Persoonsgebonden Budget in te zetten op school.
Kinderen met het syndroom van Down worden niet standaard aangenomen. Het kind moet over een bepaald leerniveau beschikken, moet zelfstandig kunnen werken, goed kunnen communiceren en zich kunnen redden in het schoolgebouw. Ook is het belangrijk dat de leerkrachten het allemaal zien zitten. Het kost meer tijd en inspanning voor de leerkracht om een leerling met syndroom van Down in de klas te hebben.
De volgende punten zijn belangrijk om op te letten:
- Laat het kind gewoon meedoen in de groep, weliswaar op zijn of haar eigen niveau.
- Geef de leerling dezelfde schoolspullen: opdrachten moeten wel aangepast worden maar het geeft de leerling veel zelfvertrouwen wanneer bijvoorbeeld dezelfde boeken worden gebruikt.
- Verander het leerdoel naar leeraanbod: de leerling zal niet Frans leren spreken maar maakt kennis met de Franse taal.
- Probeer geen uitzondering te maken voor wat betreft afspraken: te laat komen mag niet, dus ook niet voor de leerling met het syndroom van Down.
- De school zou een coach of begeleider kunnen aanstellen die de leerkracht en de leerling advies geeft en begeleid bij de samenwerking.
Een kind met het syndroom van Down in uw klas kost niet alleen maar meer tijd en inspanning. Mits goed aangepakt kan het een verrijking zijn voor alle partijen. Leerlingen leren de verschillen tussen elkaar niet te zien als een probleem maar als een uitdaging. Dat is een stap dichterbij een samenleving waarin iedereen meedoet en meetelt.
Reacties