onderzoek
po

Hoe werk je effectief met hoog- en meerbegaafde leerlingen?

Aparte activiteiten voor hoogbegaafde leerlingen hebben meestal een positief effect op hun leerprestaties, op hun motivatie, hun leervaardigheden en creativiteit. Niet voor alle domeinen en of vakken leiden alle aanpassingen tot een verbetering. Goed onderwijs voor hoogbegaafde leerlingen, en eigenlijk voor alle leerlingen, vraagt naast inzetten op cognitief presteren ook om de juiste begeleiding en om leraren die expertise hebben op dit terrein. Welke begeleiding nodig is, hangt af van de beginsituatie van de leerling. Onderwijs aan hoogbegaafde leerlingen start idealiter met het in kaart brengen van de cognitieve, sociaal-emotionele en ontwikkel- en leervaardigheden. Als het onderwijs wat betreft inhoud, organisatie en pedagogisch didactische begeleiding daarbij aansluit, zijn de (hoogbegaafde) leerlingen het best geholpen.

Wat weten we?

Kinderen zijn hoogbegaafd als er sprake is van drie factoren, die zich in samenhang voordoen en waartussen interactie is. Het gaat om kinderen die:

1) een bovengemiddelde intelligentie hebben en sneller op een hoger cognitief niveau kunnen presteren;

2) heel taakgericht zijn en goed kunnen structureren. Ze zijn meer en diepgaand gemotiveerd om aan taken te werken en zich verder te ontwikkelen, kunnen dat ook en vertonen doorzettingsvermogen;

3) heel creatief zijn. Ze kunnen op een originele en vindingrijke wijze oplossingen voor problemen bedenken.

Hoogbegaafdheid is een gevolg van één of meer aangeboren be­kwaamheden of potenties en interactie met de omgeving. Hoogbegaafdheid bestaat ook door verworven of geleerde en gestimuleerde vaardigheden. Wat aangeboren is moet zich kunnen ontwikkelen en gestimuleerd worden. Hoogbegaafdheid is dus geen statisch gegeven, het moet wel degelijk ‘onderhouden en gestuurd’ worden.

Verrijken of verdiepen, versnellen en compacten

Verrijken of verdiepen, versnellen en compacten zijn veelvoorkomende onderwijsaanpassingen voor hoogbegaafden. Voor veel kinderen kan verrijking het beste worden gecombineerd met versnellen. Verrijken of verdiepen kan in de klas, of buiten de klas (plusgroepen, -klassen, zomercursussen). Bij alle vormen van verrijken komen hoogbegaafde kinderen tot betere prestaties, maar niet altijd evenveel voor alle vakken. Versnelling lijkt vaak positief uit te vallen. Hoogbegaafde kinderen profiteren ook van extra activiteiten buiten de schooltijden of in de vakanties.

Verrijken of verdiepen komt bijna altijd de motivatie ten goede. De kinderen hebben geen herhaling nodig en kunnen op deze manier doorwerken en op hun niveau werken. Deelnemen aan uitdagende activiteiten, heeft een positieve invloed op hun motivatie. Wel moet de leerkracht zeer betrokken zijn bij het leerproces en een vertrouwensband met het kind ontwikkelen. Het geloof van het kind in de leerkracht, dat je echt iets van de leerkracht kunt leren, is bepalend voor succes.

Plusgroepen of plusklassen

In plusgroepen of –klassen komen hoogbegaafde leerlingen voor een aantal uren, of een paar middagen per week bijeen. Ze krijgen op hen afgestemde leerstof aangeboden en een passende pedagogische aanpak. Vaak verbetert de werkhouding van het kind, doordat het in die plusklas ervaart dat er dingen zijn die niet in één keer perfect kunnen gaan, maar waar het kind zich voor moet inspannen. Hierdoor nemen motivatie, zelfvertrouwen en plezier toe. Er zijn overigens ook onderzoeken die tegen aparte groepen pleiten. Naast de overwegend positieve uitkomsten voor hoogbegaafde leerlingen blijkt dat apart groeperen – in een aparte klas maar ook binnen de klas – positief uitpakt voor alle leerlingen. Voorwaarde is wel dat de instructie en leermiddelen aansluiten bij ieders leer- en ontwikkelbehoeften, en niveau.

Aanbevelingen voor de praktijk

Een complete en brede identificatie kan het best voorafgaan aan onderwijsaanpassingen. Bij die identificatie worden de leer- en ontwikkelbehoeftes van kinderen in kaart gebracht, met gegevens over intelligentie, prestaties, motivatie, vaardigheden en gedragskenmerken, gecombineerd met signaleringen door leerkrachten en ouders. Voortdurend wordt vastgesteld hoe ver het kind in ontwikkeling is. Bij voorkeur gebeurt dat de eerste keer als kinderen starten op de school. Onderwijs op maat leveren en daarom ook de identificatie kan het best vroeg beginnen. Kinderen van vier verschillen al erg in ontwikkeling.

  • Aanpassingen moeten aansluiten op wat een kind bij zijn ontwikkelingsniveau nodig heeft. Bij jonge kinderen is meer aandacht nodig voor wat hen stimuleert en aanzet tot leren, omdat de leervaardigheden dan nog beperkt zijn. Door de juiste prikkels uit de omgeving ontwikkelen kinderen die. De motivatie om te leren is bij de jongste kinderen minder stabiel.
  • Alle kinderen profiteren van onderwijs dat aansluit bij hun capaciteiten en talenten, dat geldt niet alleen voor hoogbegaafde kinderen.
  • Onderwijsaanpassingen vereisen naast andere leerstof ook een andere didactische en pedagogische benadering.

Meer weten?

Lees het volledige rapport opgesteld als antwoord op deze vraag, inclusief geraadpleegde bronnen.

Dit antwoord is tot stand gekomen met dank aan Gerda Geerdink (kennismakelaar)

Deze vraag is overgenomen van de Kennisrotonde, het online loket voor de beantwoording van actuele kennisvragen uit en over het onderwijs.

Thema

Didactiek

Onderwerpen

Differentiatie


E-mailadres wordt niet gepubliceerd. Hiermee kunnen wij reageren op je bericht.