Relatie tussen hoogbegaafdheid en onderpresteren

Kennisrotonde | 09 maart 2018

Is er een relatie tussen hoogbegaafdheid en onderpresteren?

Wat weten we?

Een aanzienlijk deel van de hoogbegaafde leerlingen presteert lager dan verwacht mag worden op basis van de intelligentie. Schattingen variëren van 15% tot 50%, afhankelijk van de definitie van onderpresteren. Onderpresteren bij hoogbegaafde leerlingen is al waarneembaar vanaf groep 2. In de hogere groepen neemt het onderpresteren toe. Om het onderwijs af te stemmen op hoogbegaafden is vroegtijdige onderkenning belangrijk. Naast organisatorische en inhoudelijke afstemming van het onderwijs is individuele begeleiding (mentoring) gewenst.

Hoogbegaafdheid is de aanleg om tot uitzonderlijke prestaties te komen. Meestal wordt in de praktijk van hoogbegaafdheid gesproken bij een IQ van 130 en hoger, vastgesteld aan de hand van een IQ-test. Overigens is dit niet helemaal in overeenstemming met de theorie, waarin meerdere factoren worden genoemd, die bepalen of iemand hoogbegaafd is:

  1. hoge intelligentie
  2. hoog niveau van taakgerichtheid en structureringsvermogen
  3. hoog niveau van creativiteit

Door de Kennisrotonde is uitgebreid ingegaan op de definitie van hoogbegaafdheid. Wanneer een IQ van 130 als criterium geldt, betekent dit dat 2 tot 2,5% van de bevolking hoogbegaafd is. Onderwijs­gevenden zeggen desgevraagd dat gemiddeld 6% van hun leerlingen hoogbegaafd is, dat is ongeveer 2 leerlingen op een klas van 30.

Hoogbegaafdheid en onderpresteren

Een aanzienlijk deel van de hoogbegaafde leerlingen presteert onder hun niveau. De schattingen variëren van 15% tot wel 50%. De verschillen in percentages hangen samen met verschillen in de definitie van onderpresteren.

Recent Nederlands onderzoek op basis van het PRIMA-cohort hanteert een ‘strenge’ definitie van onderpresteren: een leerling is onderpresteerder als de scores op toetsen voor Nederlands en rekenen minstens één standaarddeviatie lager zijn dan verwacht op basis van het IQ. In een grootschalig onderzoek, onder 60.000 leerlingen, vinden deze onderzoekers dan ook relatief lagere percentages onderpresteerders. Voor alle leerlingen samen ligt het percentage onderpresteerders voor taal rond de 20%, voor rekenen rond de 16%. Het percentage onderpresteerders onder hoogbegaafden ligt in groep 8 op 13% voor taal en op 9% voor rekenen.

Onderpresteerders op de basisschool

Onderpresteren van hoogbegaafde leerlingen is al waarneembaar vanaf groep 2 en kan duren tot in het voortgezet onderwijs. Het percentage onderpresteerders onder hoogbegaafden neemt toe in hogere groepen.

Grote klassen in de onderbouw lijken niet gunstig voor hoogbegaafde leerlingen. Hoe groter het aantal leerlingen in groep 2, des te minder is twee jaar later hun welbevinden, hun populariteit onder klasgenoten en hun relatie met de leerkracht. Leerlingen die versneld de kleuterklassen doorlopen, scoren daarentegen in groep 4 juist hoger op zelfconcept, welbevinden en relatie met de leerkracht. Het percentage onderpresteerders onder hoogbegaafde leerlingen neemt toe in de hogere groepen van de basisschool.

Onderpresteren tegengegaan

Er zijn allerlei manieren waarop basisscholen hoogbegaafde leerlingen proberen te bieden waar ze behoefte aan hebben. Vormen van aanpassing zijn: differentiëren in de eigen groep (compacten en verrijken), versnellen of een klas overslaan, verrijking buiten de eigen groep in plusgroep.

Wat is bekend over de effectiviteit van deze aanpakken? In het kort:

  • Verrijken of verdiepen, versnellen en compacten – dit zijn effectieve maatregelen, die zowel binnen als buiten de klas kunnen worden genomen. Er zijn positieve effecten vastgesteld op motivatie en prestaties.
  • Plusgroepen of plusklassen – hebben een positieve invloed op werkhouding, motivatie, zelfvertrouwen en plezier.

Ter voorkoming van het onderpresteren is allereerst belangrijk dat de hoogbegaafdheid vroeg wordt onderkend. Voor hoogbegaafde leerlingen zijn vanaf het schoolbegin echte veranderingen in het speel/leeraanbod nodig.

Essentieel is dat de manier van werken op school op deze leerlingen wordt afgestemd, met aandacht voor metacognitieve vaardigheden. Het gebruik van portfolio’s is aan te bevelen. Samenwerking met andere slimme leerlingen is ook belangrijk, net als het betrekken van de ouders. De begeleiding dient persoonsgericht te zijn om emotionele en gedragsproblemen te voorkomen.

Meer weten?

Lees het volledige rapport opgesteld als antwoord op deze vraag, inclusief geraadpleegde bronnen.

Over hoogbegaafdheid in het algemeen:

Over hoogbegaafdheid en onderpresteren:

Dit antwoord is tot stand gekomen met dank aan Anne Luc van der Vegt (Kennismakelaar) en Pieter Appelhof (Oberon).

Deze vraag is overgenomen van de Kennisrotonde, het online loket voor de beantwoording van actuele kennisvragen uit en over het onderwijs

 

In Gesprek

Deze vraag is beantwoord door de Kennisrotonde, het online loket voor de beantwoording van kennisvragen uit en over het onderwijs

Leraar24 helpt je graag met kennis over onderzoek en onderwijs in de praktijk.

In Gesprek

Deze vraag is beantwoord door de Kennisrotonde, het online loket voor de beantwoording van kennisvragen uit en over het onderwijs

Leraar24 helpt je graag met kennis over onderzoek en onderwijs in de praktijk.