onderzoek
po
vo

Overgang basisschool naar voortgezet onderwijs loopt te vaak niet goed

Bij ruim dertig procent van de leerlingen komt het onderwijsniveau op de middelbare school niet overeen met het basisschooladvies, blijkt uit onderzoek van de Rijksuniversiteit Groningen. Vooral bij kinderen van lager opgeleide ouders en/of ouders met een niet-westerse achtergrond, en bij jongens is dat het geval. De onderzoekers pleiten ervoor de selectie op niveau nog even uit te stellen.

Bij 69 procent van de leerlingen komt het onderwijsniveau dat ze in de vierde klas van de middelbare school volgen overeen met het advies van de basisschool. “Dat lijkt veel”, zegt Marie-Christine Opdenakker, een van de onderzoekers. “Maar bij ruim dertig procent is er dus een mismatch.”

Uiteindelijk zit negentien procent van de leerlingen in de vierde klas van het voortgezet onderwijs in een lager onderwijstype dan het basisschool-advies. Dertien procent zit in een hoger onderwijstype dan geadviseerd. In totaal is een op de acht leerlingen een keer blijven zitten in de eerste drie leerjaren. “Dat geeft aan hoe moeilijk het is om een goed schooladvies te geven op basisschoolleeftijd.”

Brede brugklassen beter voor laatbloeiers

Sommige leerlingen hebben gewoon meer tijd nodig. Dat geldt vooral voor leerlingen die meer risico lopen dat de overgang van het basis- naar het voortgezet onderwijs niet zo goed verloopt. Zoals kinderen van lager opgeleide ouders of met een niet-westerse achtergrond, jongens en leerlingen die niet goed presteren op methode-onafhankelijke toetsen begrijpend lezen en rekenen, zoals Cito.

Vooral voor leerlingen die om wat voor reden dan ook niet optimaal presteren op de basisschool (‘laatbloeiers’) is het beter om de schoolniveaukeuze nog even uit te stellen. Dit geeft hen de mogelijkheid om in een schoolniveau terecht te komen dat het beste bij hen past. De onderzoekers pleiten dan ook voor brede brugklassen, dubbele schooladviezen (zoals een havo/vwo-advies in plaats van alleen een havo-advies) en het behoud van overstapmogelijkheden in het voortgezet onderwijs. En scholen moeten risicoleerlingen meer ondersteuning bieden.

Wisselende leraren van invloed op motivatie

Ook blijkt uit het onderzoek dat de overgang naar het voortgezet onderwijs van invloed is op de niet-cognitieve ontwikkeling van leerlingen. In de derde klas van de middelbare school zijn leerlingen minder gemotiveerd, hebben minder zelfvertrouwen en welbevinden dan aan het einde van de basisschool. De puberteit speelt daarbij weliswaar een rol, maar die verklaart niet alles.

“Leerlingen hebben in het voortgezet onderwijs een minder goede band met leraren omdat deze per vak wisselen en dat heeft invloed op hun motivatie”, zegt Opdenakker. “Met name competentiemotivatie – ik doe mijn best op school om iets te begrijpen – is een belangrijke voorspeller voor het succes van de schoolloopbaan”, benadrukt ze. Het vergroten van competentiemotivatie verdient dan ook meer aandacht.

Heterogene klassen bevorderen doorstroming

De onderzoekers keken in een simulatie-onderzoek ook naar welke schoolsoorten het beste zijn voor (risico)leerlingen. Leerlingen doen het beter op brede scholengemeenschappen dan op scholen met bijvoorbeeld alleen vwo of vmbo. Meer leerlingen doorlopen de klassen op tijd en minder leerlingen vallen uit. Dat geldt ook voor meerjarige brede brugklassen. Op havo/vwo-scholen is het bijvoorbeeld beter om twee jaar achtereen in een heterogene klas te zitten. Meer leerlingen stromen dan zonder zittenblijven door en meer leerlingen gaan naar het vwo.

Vooral voor jongens en kinderen met lager opgeleide ouders zijn brede scholengemeenschappen gunstiger. Meisjes doen het op zowel brede scholengemeenschappen als categorale scholen goed.

Meer informatie over de overgang tussen schoolniveaus


E-mailadres wordt niet gepubliceerd. Hiermee kunnen wij reageren op je bericht.