Literatuuronderwijs in het po

KNOW | bijgewerkt op 20 januari 2013

Leerlingen stimuleren om te gaan lezen én leerlingen plezier laten beleven aan het lezen. Op basisscholen lijkt hiervoor meer aandacht te komen. Als een leerling een activiteit leuk vindt, is hij immers meer gemotiveerd om ermee aan de slag te gaan.

Hoe presteren Nederlandse kinderen?

Uit het PIRLS-2006 onderzoek (Netten & Verhoeven, 2007) naar de leesprestaties van negen- en tienjarigen komt naar voren dat Nederlandse kinderen internationaal gezien een weinig positieve leesattitude hebben: slechts 29% van de Nederlandse leerlingen beschikt over een positieve leesattitude. Nederlandse kinderen lezen in vergelijking met hun leeftijdgenoten in andere landen weinig en hebben ook minder plezier in lezen. Ook uit periodieke peilingen naar het leesonderwijs uit 2005 (Heesters, van Berkel, van der Schoot, & Hemker, 2007; van Berkel, Krom, Heesters, van der Schoot, & Hemker, 2007) blijkt dat leerlingen zowel halverwege als aan het einde van de basisschool minder graag lezen dan bij eerdere peilingen werd gerapporteerd.

Empirisch onderzoek 1969 tot 2004

In Lezen in het basisonderwijs. Een inventarisatie van empirisch onderzoek naar begrijpend lezen, leesbevordering en fictie (Bonset & Hoogeveen, 2009) wordt een overzicht gegeven van het empirisch onderzoek dat is uitgevoerd naar leesbevordering in de periode 1969 – 2004. Op basis van een uitgebreide literatuurstudie naar onderzoek naar de beginsituatie trekken de auteurs de volgende conclusies (pp. 113; 86-87; 97; 106):

  • Het belangrijkste manco is het ontbreken van informatie over effectieve programma’s voor leesbevordering en effectieve onderwijsleeractiviteiten op het gebied van fictie lezen. Dit komt omdat construerend onderzoek geheel ontbreekt en de hoeveelheid effectonderzoek gering is.
  • Leerlingen zijn minder tijd gaan besteden aan lezen en lezen bijna alle typen leesmateriaal minder vaak dan in de vorige decennia. Dit geldt voor leerlingen aan het eind van de basisschool. De leesfrequentie van leerlingen halverwege het basisonderwijs lijkt door de tijd heen meer stabiel. Tegelijkertijd besteden kinderen meer tijd aan tv kijken en internet.
  • Leesfrequentie is een goede voorspeller van leesattitude en leesvoldoening: wie vaak leest, staat positiever tegenover lezen en beleeft meer aan wat hij leest.
  • Gezinsfactoren hebben volgens de meeste onderzoekers een grote invloed op het leesgedrag, de leesmotivatie en de leesvaardigheid van kinderen. Belangrijke factoren zijn voorlezen en vertellen door ouders, zelf lezen en het stimuleren van lezen bij de kinderen, en de aanwezigheid van leesmateriaal in huis.
  • In een aantal onderzoeken is ook de invloed nagegaan van het leesklimaat thuis, de sociale klasse, het opleidingsniveau of de herkomst van de ouders (allochtoon/autochtoon) op het leesgedrag van de kinderen. De bevindingen hieruit zijn niet eenduidig.

Dat betekent voor de praktijk

De Stichting Lezen geeft op haar site een veelheid aan informatie, van onderzoeksverslagen tot praktische handreikingen.

Meer informatie vind je op de volgende websites:

referenties

Leraar24 helpt je graag met kennis over onderzoek en onderwijs in de praktijk.

Leraar24 helpt je graag met kennis over onderzoek en onderwijs in de praktijk.