Taalbeschouwing: grammatica VO

KNOW | bijgewerkt op 18 januari 2013

Grammatica is nadrukkelijk aanwezig als onderdeel van taalbeschouwing in het VO, terwijl maar een paar aspecten van dat brede onderwerp behandeld worden. Concreet: grammaticaonderwijs is grotendeels beperkt tot zinsontleding en woordbenoeming. Deze verkokering van taalbeschouwing in het taalonderwijs is door de jaren heen vaak en zeer verhit bediscussieerd, maar er is helaas verrassend weinig empirisch onderzoek naar de verschillende mogelijke vormen en inhouden van grammaticaonderwijs verricht. Dat heeft tot gevolg dat wat in het VO de praktijk is, maar in zeer beperkte mate gebaseerd is op doelstellingen- of effectiviteitsonderzoek.

Wat weten we?

In hun reviewstudie Het schoolvak Nederlands opnieuw onderzocht (2008) beschrijven Bonset en Braaksma het relatief schaars aanwezige empirische materiaal over grammaticaonderwijs in het VO. Hieronder de belangrijkste bevindingen uit hun review.

Taalbeschouwing, in casu grammatica, is in de discussie door voor- en tegenstanders uitsluitend gewogen vanuit een instrumenteel perspectief: taalbeschouwing / grammatica als doel tot iets anders, namelijk het bevorderen van de taalbeheersing van de leerlingen, of het vergemakkelijken van het geven van het vreemdetalenonderwijs.

De mogelijkheid van onderwijs in taalbeschouwing vanuit een niet-instrumenteel, cultureel perspectief verdween daarbij uit zicht. We bedoelen hiermee: taalbeschouwing die onderwezen wordt omdat ze deel uitmaakt van de algemene ontwikkeling die de leerlingen op school moeten opdoen, dan wel omdat ze voor leerlingen verrijkende en interessante inzichten lijkt te bevatten.

Naar zo’n complex en veel bediscussieerd deel van het vak Nederlands is veel onderzoek gedaan, zou men denken. Dat is niet het geval, niet vóór 1997 en nog minder daarna. Voor taalbeschouwingsonderwijs is daarmee de stand van zaken zoals voor literatuuronderwijs twintig jaar geleden: veel geloofsovertuigingen, weinig empirische gegevens. (p 147)

Het enige lichtpunt in de duisternis is eigenlijk het in deze periode verrichte effectonderzoek. (…) We bedoelen hiermee: taalbeschouwing die onderwezen wordt omdat ze deel uitmaakt van de algemene ontwikkeling die de leerlingen op school moeten opdoen, dan wel omdat ze voor leerlingen verrijkende en interessante inzichten lijkt te bevatten. De effectstudies van Bienfait en Hafkenscheid relativeren eens te meerde instrumentele waarde van expliciet grammaticaonderwijs voor de taalverwerving en taalvaardigheidsontwikkeling van leerlingen. (p 157)

In de vergelijkbare reviewstudie uit 2010: ‘Taalbeschouwing. Een inventarisatie van empirisch onderzoek in basis- en voortgezet onderwijs’ geven de auteurs Bonset en Hoogeveen de volgende conclusies weer (p.36-37):

Uit het descriptieve onderzoek naar taalbeschouwing in de onderwijspraktijk trekken we de volgende conclusies:

  • Leerkrachten besteden veel tijd aan traditioneel grammaticaonderwijs, vooral in de vorm van zinsontleding, zowel in het basisonderwijs als in het voortgezet onderwijs.
  • Hun motieven daarbij zijn vergroting van de taalvaardigheid en ondersteuning van het vreemdetalenonderwijs. Het grammaticaonderwijs wordt echter geïsoleerd van het taalvaardigheidsonderwijs aangeboden (niet-strategisch) en tussen het grammaticaonderwijs en het vreemdetalenonderwijs […] is de aansluiting slecht.
  • Andere vormen van taalbeschouwingsonderwijs dan traditionele grammatica komen zeer zelden voor, ook bij leerkrachten die zeggen deze vormen van taalbeschouwingsonderwijs in de praktijk te brengen.

Bij de laatste twee conclusies moet wel bedacht worden dat op deze punten geen recent onderzoek aanwezig is.

De auteurs van de reviewstudie trekken uit het besproken effectonderzoek de volgende conclusies:

  • Grammaticaonderwijs, in alle varianten, lijkt voor de vergroting van de schrijfvaardigheid van leerlingen in termen van globale tekstkwaliteit geen meerwaarde te hebben boven vormen van schrijfonderwijs.
  • Voor vergroting van schrijfvaardigheid op het syntactisch niveau (zinsbesef, zinnen structureren) lijken transformationeel-generatieve methoden in de vorm van zinsopbouwonderwijs meerwaarde te hebben.
  • Expliciete instructie over formele aspecten van taal lijkt voor de hantering en verwerving van syntactische structuren niet per se effectiever dan impliciete, betekenisgerichte instructie (Van Gelderen en Oostdam, Bienfait, Andringa). Alleen als expliciete instructie wordt ingebed in een communicatieve context, blijkt ze meerwaarde te hebben en dan vooral op de korte termijn en voor de verwerving van lexicale elementen.
  • Behandeling van taalkundige leerstof in de bovenbouw van het vwo, vanuit cultureel perspectief, kan leiden tot de gewenste leereffecten bij de leerlingen en wordt door leerlingen en docenten gewaardeerd.

Dat betekent voor de praktijk

Een van de taalkundigen die regelmatig lansen breekt voor vernieuwing in het grammaticaonderwijs is Peter-Arno Coppen. Zijn alternatief voor de aanpak ervan is Actief Grammaticaal Denken. Daarnaast beschrijft Coppen recentelijk in bijdragen aan de Conferentie ‘Het schoolvak Nederlands’ het ‘kennen’ van grammatica (een conceptueel model van wat dat domein eigenlijk is) en het ‘doen’ van grammatica.

referenties

Leraar24 helpt je graag met kennis over onderzoek en onderwijs in de praktijk.

Leraar24 helpt je graag met kennis over onderzoek en onderwijs in de praktijk.