onderzoek
po
vo
mbo
so

Motivatie van leerlingen

Zijn kinderen van nature geneigd om te leren en om hun leren zelf te organiseren? Of hebben volwassenen de taak om kinderen aan te zetten tot leren en hun leerproces te sturen? De laatste tijd is de eerste opvatting (intrinsieke motivatie) meer in zwang in de onderwijspsychologie. Wat betekent dat voor de leraar?

Lange tijd voerde in de onderwijspsychologie het behaviorisme de boventoon. Het behaviorisme is een voorbeeld van een extrinsieke motivatietheorie: een leerling doet iets (niet) omdat ik hem of haar daarvoor beloon of straf. Neuropsycholoog Jelle Jolles en anderen stellen in Brain lessons (2006) dat ons schoolsysteem op dit moment niet in staat lijkt om de blijvende interesse van gemotiveerde en intelligente kinderen aan te boren. Veel leerlingen lijken in hun leren vooral gedreven door de angst voor een onvoldoende. Extrinsiek gemotiveerd leren is niet altijd te vermijden.

Uit onderzoek weten we echter dat extrinsiek gemotiveerd leren vaak oppervlakkiger is en bijvoorbeeld een hogere kans geeft op drop out of een lager gevoel van welbevinden. Het is het leren dat bekend is komen te staan onder de naam ‘zesjescultuur’. Wanneer het enige doel is om de vereiste tentamens, proefwerken of studiepunten te halen, dan krijgen leerlingen of studenten een passieve houding: ‘vertel mij maar wat ik moet doen’.

De Self-Determination Theory

In de onderwijspsychologie is de aandacht verschoven van extrinsieke naar intrinsieke motivatietheorieën. Intrinsieke motivatietheorieën gaan er vanuit dat leerlingen van nature gemotiveerd zijn om te leren: ze leren omdat ze iets interessant vinden. Een bekend voorbeeld is de Self-Determination Theory (2000) van de Amerikaanse onderzoekers Richard Ryan en Edward Deci. Uit veel onderzoek weten we inmiddels dat intrinsiek gemotiveerd leren leidt tot betere prestaties en vooral tot diepere verwerking.

De Self-Determination Theory stelt dat een extrinsieke houding ontstaat wanneer

  • leerlingen het gevoel hebben sterk verplicht te zijn tot iets. Ze voelen zich dan weinig autonoom.
  • leerlingen een laag gevoel van competentie hebben. Dit ontstaat wanneer leerlingen wat ze leren als zinloos ervaren, of het gevoel hebben dat ze ergens slecht in zijn.
  • Verder speelt volgens deze theorie sociale verbondenheid een belangrijke rol: leerlingen verliezen intrinsieke motivatie als ze zich niet gewaardeerd voelen door medeleerlingen of leraren.

Inmiddels is voor deze theorie een grote hoeveelheid empirisch bewijs verzameld, waardoor ze de belangrijkste motivatietheorie in de onderwijspsychologie is geworden.

Hoe kunnen scholen inspelen op intrinsieke motivatie bij leerlingen?

Het onderwijs kan de intrinsieke motivatie van leerlingen bevorderen door:

  • in overleg met hen leerdoelen op een aantrekkelijke manier vorm te geven,
  • hun een gevarieerde leeromgeving te bieden binnen en buiten de school, en
  • hun keuzemogelijkheden te geven.

De rol van de leraar is daarbij van groot belang. Leraren autonome motivatie kunnen bevorderen door het leerproces te structureren en de autonomie van leerlingen te respecteren (Vansteenkiste e.a., 2007). Het artikel Autonomie voor leerlingen biedt informatie over wat dit vraagt van leerkrachten, naast een theoretische onderbouwing van deze stelling.

Het Amadeus Lyceum in Utrecht werkt met cultuurgebaseerd onderwijs (CGO). Leerlingen worden uitgedaagd kennis en vaardigheden op te doen via competentiegerichte werkvormen, waarbij kunst en cultuur zijn geïntegreerd in de reguliere vakken. Met CGO wil de school zijn leerlingen meer motiveren, spijbelen en uitval voorkomen, en de sociale integratie bevorderen.

Thema

Pedagogiek

Onderwerpen

Motivatie

Beschrijving
In: Begeleid zelfstandig leren 16, p. 37-58 Welke dynamische processen een autonome in vergelijking met gecontroleerde motivatie activeren en welke de gevolgen zijn voor het volhouden van aangeleerd gedrag, het leren en het welzijn.
Auteur(s)
Vansteenkiste, M., Sierens, E., Soenens, B. & Lens, W.
Jaar
2007

Beschrijving
Een 'New Learning Science' op het kruispunt van neurowetenschap, cognitiewetenschap en onderwijswetenschap.
Auteur(s)
Jolles, J., Groot, R. de, Benthem, J. van, Dekkers, H., Glopper, C. de, Uijlings, H. & Wolff-Albers, A.
Jaar
2006


E-mailadres wordt niet gepubliceerd. Hiermee kunnen wij reageren op je bericht.