Taalbeschouwing: spelling VO

KNOW | bijgewerkt op 18 januari 2013

De maatschappij neemt spelling heel serieus. Bewust en onbewust nemen we elkaar de maat op basis van hoe correct we schrijven in werk- en onderwijssituaties. In het VO zitten juist leerlingen die zich in hun schrijfpraktijk niet in die mainstream maatschappij begeven: zij schrijven en spellen met name veel met elkaar in digitale (social network) omgevingen. Dat zorgt ervoor dat leerlingen en docenten elkaar niet vinden: de leerlingen zien de noodzaak voor werken aan spellingvaardigheid niet, omdat het in veel voor hun betekenisvolle schrijfsituaties niet aan de orde is. Dat vormt geen goede voedingsbodem voor een spellingsgeweten bij de leerlingen.

Wat weten we?

In onderzoek van Schijf e.a (2010) is onder andere onderzocht welke soorten spelfouten brugklasleerlingen in verschillende opleidingniveaus maken. Ook is onderzocht hoe leerlingen spellen die zwak zijn in technisch lezen.

De Vlaamse onderzoekers Sandra, Daems en Frisson hebben in 2001 de uitkomsten gepubliceerd van hun onderzoek naar fouten die ervaren spellers hardnekkig maken in werkwoordsspelling. Bonset en Braaksma bespreken dit onderzoek in Het schoolvak Nederlands opnieuw onderzocht (SLO, 2008), waarbij ze de conclusies ervan als volgt weergeven (p. 114):

  • Een extreem afkeurende houding tegenover fouten tegen de werkwoordsspelling is onrealistisch. Uit zo’n fout kan niet worden afgeleid dat de speller de vereiste grammaticale kennis niet beheerst, of minder intelligent, geletterd enz. zou zijn. Het onderzoek laat immers zien dat spelfouten in de werkwoorden niet noodzakelijk het gevolg zijn van gebrekkige kennis, maar een onvermijdelijk gevolg van de werking van het woordgeheugen. Natuurlijk moeten docenten wel doorgaan met het signaleren van deze fouten.
  • Omdat werkwoordfouten ontstaan doordat processen in het woordgeheugen de bewuste aandacht van de speller te snel af zijn, kunnen werkwoordfouten alleen worden aangepakt op het niveau van bewuste aandacht. Maar tijdens het schrijfproces is de bewuste aan dacht vaak niet in voldoende mate op de spelling gericht; ze moet immers verdeeld worden over verschillende aspecten van de geschreven taal (inhoud, zinsbouw enz.). Het is dus nodig leerlingen van de noodzaak te doordringen hun teksten na het opschrijven te herlezen en de werkwoordsspellingen te verifiëren. In het bijzonder moeten ze dan letten op zgn. “gevaarwoorden”: gelijkluidende (homofone) woorden waar concurrentie tussen twee verschillende spellingen bestaat.

Dit onderzoek vertaalt zich naar effectief handelen in de praktijk van het VO met een aanpak van werkwoordsspelling met algoritmes.
Daarover constateerde Assink (1983) dat het gebruik van een algoritme voor het oplossen van spellingsproblemen bij de werkwoordsvormen positieve effecten heeft op de spellingsprestaties van leerlingen.

Dat betekent voor de praktijk

De centrale vraag in de notitie ‘Onderwijs in spelling en interpunctie in de onderbouw’ luidt: hoe kan in de onderbouw van het voortgezet onderwijs de vaardigheid in het spellen van de leerlingen worden verbeterd, zodat ze deze optimaal kunnen gebruiken in bovenbouw, vervolgopleidingen en dagelijks leven? Daartoe zet Bonset onderzoek op een rij over wat aangeboden wordt aan leerstof voor spelling vóór en in de onderbouw en wat daarvan door leerlingen beheerst wordt – voor zover er over dit laatste gegevens zijn.

Hij constateert:

  • Op de basisschool zijn alle relevante regels voor spelling en interpunctie aangeboden. Daar is gemiddeld 1,5 uur per week op een totaal van 7 uur taalonderwijs per week aan besteed.
  • Als leerlingen naar het voortgezet onderwijs gaan, beheersen ze de leerstof op het gebied van interpunctie niet.
  • De beheersing van de leerstof op het gebied van spelling lijkt achteruit te gaan de laatste jaren.
  • Leerlingen krijgen in de onderbouw van het voortgezet onderwijs de leerstof opnieuw aangeboden.
  • Aan het eind van de onderbouw voortgezet onderwijs beheersen ze de leerstof op het gebied van interpunctie nog steeds niet.
  • Fouten lijken voort te komen uit de neiging van leerlingen om zo te schrijven als ze spreken.

Hij poneert de hypothese dat de didactische en pedagogische aanpak niet juist is. Hij formuleert daarnaast een aantal inhoudelijke doelen voor het onderwijs in spelling en interpunctie in het voortgezet onderwijs en geeft daarbij praktische tips.

referenties

Leraar24 helpt je graag met kennis over onderzoek en onderwijs in de praktijk.

Leraar24 helpt je graag met kennis over onderzoek en onderwijs in de praktijk.