onderzoek
po
vo
mbo
so

Wat is talent?

Onder de ontwikkeling van talent in het onderwijs verstaan we de mogelijkheden individuele leerlingen al naar gelang hun persoonlijke aanleg en achtergrondkenmerken te ondersteunen in het ontdekken en ontwikkelen van hun talenten.

Wat weten we?

Er is veel wetenschappelijke discussie over de identificatie en de ontwikkeling van talent (Sligte et al, 2009). De identificatie van talent is een moeilijke zaak, waarbij een belangrijke vraag is of er zoiets bestaat als een specifiek aangeboren talent (nature), of dat talent het louter moet hebben van aanleren (nurture). Een model dat factoren rond talent of begaafdheid in beeld brengt en laat zien hoe factoren elkaar beïnvloeden, is het model van Heller. Op basis van zijn longitudinale onderzoek (Heller, 1991) concludeert Heller dat individuen een aanleg of dispositie kunnen hebben voor begaafdheid op één en soms op meer dan één gebied: de begaafdheidsfactoren. Door een combinatie van deze factoren met niet-cognitieve persoonlijkheidskenmerken en omgevingsfactoren komt een individu tot prestaties in verschillende domeinen.

De begaafdheidsfactoren uit het model verwijzen naar de theorie van meervoudige intelligentie van Gardner (1993), waarin stelt hij dat meerdere deelprocessen samen intelligentie vormen. Er is onderscheid tussen cognitieve vaardigheden als vorm van intelligentie (taal, wiskunde, ruimtelijk inzicht) en interpersoonlijke vaardigheden (muziek, lichaamsbeheersing, zelfkennis en kennis over natuur en milieu). Begaafdheidsfactoren zijn intellectuele vermogens, sociale competentie, psychomotorische vaardigheden, muzikale-artistieke vaardigheden en creativiteit. Niet-cognitieve persoonlijkheidskenmerken omvatten stressbestendigheid, motivatie om te presteren, faalangst, controle, en leer- en werkstrategieën. Verder zijn omgevingskenmerken, zoals klassenklimaat, kritische levenservaring en gezinsklimaat van belang. Door combinaties van en wisselwerkingen tussen al deze clusters van factoren komt een individu tot prestaties in verschillende domeinen, zoals sociale betrekkingen, kunst, abstract denken, talen, wiskunde, techniek, sport, natuurwetenschappen, enzovoort. Bij uitblinken, duidelijk beter zijn dan anderen, verwijst dat naar talent van iemand op bepaald gebied. Maar talent is wellicht wel in aanleg gegeven, maar kan alleen door inspanning ontwikkeld worden. Dat betekent dat de factor motivatie en inzet dus van groot belang is. Hoewel extrinsieke motivatie niet over het hoofd moet worden gezien, laat intrinsieke motivatie leerlingen het meest effectief leren.

Excellentie

Talent wordt vaak gerelateerd aan excellentie en aan uitblinken. In dat geval is er ter eerste sprake van talent als relatief begrip: men doet het (duidelijk) beter dan vergelijkbare individuen, of ten opzichte van een gemiddelde. Ten tweede is er een relatie met ‘je best doen’, je moet je talent laten zien, en dat ook durven te laten zien. In dit opzicht wordt wel verwezen naar de cultuur in het onderwijs: de zesjescultuur. Waarom zal je je uitsloven als een voldoende is? Inmiddels wordt door beleid en school veel geïnvesteerd om leerlingen te overtuigen dat het niet vreemd is om je hoofd boven het maaiveld uit te steken, en te laten zien dat je goed en gemotiveerd bent (zie Sligte et al, 2009) voor een overzicht van verschillende beleidsstudies.

Ten tweede wordt talent vaak gerelateerd aan hoogbegaafdheid (Renzulli, 1985). Hoewel er geen eenduidige definitie van de term is, meet men het vooral aan het IQ (hoger dan 130), neemt men aan dat het vooral aangeboren is, maar dat er, en dit is conform het model van Heller, ook niet-cognitieve persoonlijkheidskenmerken en omgevingsfactoren een rol spelen. Er is tegenwoordig erg veel belangstelling voor hoogbegaafdheid, deels vanwege onderpresteren (zie onder) en deels vanuit de gedachte dat hoogbegaafde leerlingen ‘anders’ zouden leren. Daarom worden aangepaste onderwijsvormen aangeboden.

Onderpresteren

Tot slot is er een relatie tussen talent en onderpresteren: er is sprake van te lage leerprestaties in vergelijking tot wat men in zijn of haar mars heeft. Er worden wel verschillende groepen onderscheiden waar deze zogeheten ‘onderbenutting van talent’ het geval kan zijn (Mulder et al, 2007):

  • hoogbegaafden, omdat zij zonder een op maat gesneden aanpak onvoldoende kansen tot ontplooiing krijgen
  • allochtone leerlingen, door taalproblemen en culturele factoren
  • autochtone leerlingen, door een te laag ambitieniveau van ouders en lage verwachtingen van leraren
  • meisjes op bepaalde gebieden, en jongens op andere gebieden

Er wordt steeds meer aandacht besteed aan het kunnen herkennen van onderpresteren door docenten. Een van de SLOA-VO projecten was geheel aan het onderwerp gewijd.

Thema

Didactiek

Onderwerpen

Differentiatie

Auteur(s)
Sligte, H.W., Bulterman-Bos, J., & Huizinga, M.
Jaar
2009

Auteur(s)
Wijnekus M. & Pluymakers, M.
Jaar
2007

Auteur(s)
Heller, K.A.
Jaar
1991

Auteur(s)
Gardner, H.
Jaar
1993

Auteur(s)
Mönks, F.J. en Span P. (red.)
Jaar
1985

Auteur(s)
Renzulli, J.
Jaar
1985

Beschrijving
Een onderzoek naar onderpresteren bij kinderen van autochtone laagopgeleide ouders en bij kinderen van allochtone, m.n. Turkse afkomst.
Auteur(s)
Mulder, L., Roeleveld, J. &Vierke, H.
Jaar
2007

Auteur(s)
Inspectie van het Onderwijs
Jaar
2012


E-mailadres wordt niet gepubliceerd. Hiermee kunnen wij reageren op je bericht.