De startende leraar

KNOW | bijgewerkt op 27 oktober 2015

Net van de lerarenopleiding en nu een baan op een school. Wat kunnen scholen en begeleiders doen om beginnende leraren te ondersteunen? In dit artikel wordt besproken welke aspecten leiden tot een kwalitatief goed begeleidingsprogramma voor startende leraren, van tips voor schoolleiders tot een driejarig inwerktraject ontwikkeld door onderzoekers.

Bekijk ook de video over het onderzoek Begeleiding Startende Leraren van de rijksoverheid.

Wat weten we?

Veel beginnende leraren verlaten al snel het beroep. Negen procent van de bevoegde beginners is na drie jaar uitgevallen, zo blijkt uit een onderzoek van de Rijksuniversiteit Groningen.
Startende leraren verlaten het beroep omdat zij in hun eerste jaren onnodige beroepsstress ervaren en hun vertrouwen in eigen kunnen daardoor snel afneemt. Dit komt mede doordat zij over minder pedagogisch-didactische vaardigheden beschikken dan hun ervaren collega’s. Daarbij gaat het om basale vaardigheden als ‘het voeren van een efficiënt klasmanagement’, ‘het helder en gestructureerd uitleggen’ en ‘het activeren van leerlingen’. Maar ook ‘een veilig en stimulerend onderwijsleerklimaat creëren’ lukt hen minder goed. Vooral met de meer complexe vaardigheden, zoals het onderwijs afstemmen op verschillen tussen leerlingen, hebben ze moeite.

Inwerktraject
Uit onderzoek van Kessels (2010) blijkt dat het inwerktraject, ook wel inductieprogramma genoemd, een aanzienlijke invloed heeft op de professionele ontwikkeling van startende leraren. Michelle Helms-Lorenz, Wim van der Grift en Ridwan Maulana van de Rijksuniversiteit Groningen onderzochten hoe een inductieprogramma (begeleidingsprogramma) beginnende leraren beter zou kunnen toerusten, met als doel de uitval te verminderen. Voor het onderzoek werden 338 beginnende leraren van 68 scholen voor voortgezet onderwijs random ingedeeld in een experimentele groep en een controlegroep. Het onderzoek werd uitgevoerd in het kader van Onderwijs Bewijs, een project van OCW dat via wetenschappelijke experimenten kennis verzamelt over wat wel en niet werkt in het onderwijs.

Het inwerktraject dat de experimentele groep onderging duurde drie jaar. Het traject ondersteunde beginners in hun professionele en persoonlijke ontwikkeling als leraar. Het voorzag in werkdrukvermindering door het takenpakket af te stemmen op de draagkracht van de leraren. Daarnaast maakten de starters kennis met de schoolregels en het schoolbeleid, werden zij geobserveerd tijdens hun lessen en kregen ze daarbij gerichte begeleiding. Ook was er aandacht voor hun bredere professionele ontwikkeling. De starters moesten bijvoorbeeld bewust experimenteren met meer complexe vaardigheden, zoals:

  • het onderwijs afstemmen op de verschillen tussen leerlingen
  • leerlingen leren hoe ze iets moeten leren
  • alle leerlingen bij de les betrekken en ze tot nadenken stimuleren

Effecten
Het inductiearrangement had effect. De starters die meededen aan het inwerktraject ontwikkelden zich in drie jaar tijd sneller in hun pedagogisch-didactisch handelen dan de leraren in de controlegroep. De experimentele groep had ook minder werkgerelateerde stress. Deze leraren ervoeren meer leermogelijkheden en invloed op hun dagelijks werk. Bovendien ontwikkelen zij tijdens het traject een positieve identiteit als leraar en een eigen lesstijl. Ze bleken ook meer overtuigd van hun bekwaamheid in de klas. De leraren uit de experimentele groep vielen dan ook minder vaak uit.
Echter, om de startende leraar goed op weg te helpen, is niet alleen een kwalitatief goed inductieprogramma van belang. Ook de kwaliteit van begeleiding van mentoren speelt een grote rol. Om de invloed van inductieprogramma’s te vergroten is het dus van belang te begrijpen hoe er bijgedragen kan worden aan de professionele ontwikkeling van mentoren (Kessels, 2010).

Het inwerktraject van de Rijksuniversiteit Groningen is opgenomen in het landelijke programma Begeleiding Startende Leraren (BSL). Het is een van de projecten die worden gebruikt om het lerarentekort in het voortgezet onderwijs tegen te gaan. Het sluit aan bij de afspraken die met scholen zijn gemaakt in de Lerarenagenda 2013-2020.

Dat betekent voor de praktijk

Het inwerktraject stoelt op vier pijlers:

  • Werkdrukvermindering – Elementen die de werkdruk verminderen, zijn onder andere: geen extra taken, vrijstelling van taakuren, minder lessen, geen moeilijke klassen, gunstige roosters, rooster waarbij rekening gehouden wordt met het rooster van de mentor of vak-coach, en een geleidelijke opvoering van de werkbelasting naar het normale eindniveau.
  • Inwijding in het schoolbeleid – De nieuwe leraar leert onder andere hoe de organisatie van de school in elkaar steekt en wat de heersende cultuur en onderwijskundige visie is. Maar ook wat het curriculum is, welke achtergrond de leerlingen hebben, wat de maatschappelijke context van de school is. En praktische informatie: wie, wat waar en hoe.
  • Lesobservatie en feedback – De beginnende leraren krijgen individuele begeleiding in de klas van een coach. Daarbij staat het ontwikkelen van meer didactische vaardigheden centraal. Er wordt een individueel ontwikkelplan gemaakt in de zone van de naaste ontwikkeling. De coach zorgt ervoor dat de beginner zich vervolgens stapsgewijs ontwikkelt. De begeleiding helpt de beginner zijn mogelijkheden te vergroten. Daardoor neemt zijn gevoel van bekwaamheid toe en dat bevordert weer zijn draagkracht.
  • Professionele ontwikkeling- Beginnende leraren werken systematisch aan hun professionele ontwikkeling. Ze weten wat hun huidige kwaliteiten en competenties zijn en vergelijken deze met de competenties die ze moeten ontwikkelen (het ‘eindprofiel’). Vervolgens plannen wat ze de komende periode gaan leren of verder willen ontwikkelen. Hun plannen en vorderingen bespreken zij regelmatig met hun coach.

Een goede begeleiding in de eerste drie jaar, die gestoeld is op deze pijlers, bevordert de ontwikkeling van effectief lerarengedrag van beginnende docenten. En daardoor vallen er minder leraren uit. Kwalitatief goede begeleiding van een startende leraar bestaat uit:

Persoonlijke en relationele steun van de mentor

  • De mentor voelt het begeleiden van starters niet als opgelegde taak, maar als iets wat hij graag doet
  • De mentor is een betrouwbare gesprekspartner: hij praat niet over de starter met derden als de laatste dat niet wenselijk vindt
  • De mentor accepteert de starter en geeft emotionele steun: aan de basis van de relatie tussen mentor en starter ligt empathie, dat wil zeggen:accepteren zonder oordelen, begrip hebben voor de zorgen en problemen van de starter en voor de levensfase waarin de starter zich bevindt
  • Een goede mentor reflecteert op zichzelf
  • Een goede mentor levert maatwerk, d.w.z. hij stemt zijn begeleiding af op degene die hij voor zich heeft en is daarin flexibel
  • De mentor staat zelf model als iemand die continu leert en is ook bereid te leren van de starter in kwestie

Professionele steun van de mentor
Het tweede type steun is erop gericht de professionele ontwikkeling van de starter te bevorderen en vertoont als voorname kenmerken:

  • De mentor is zelf een goede leraar
  • Hij beschikt over een breed repertoire aan professionele ontwikkelstrategieën om de starter te laten leren
  • Een goede mentor is transparant over zijn eigen zoektocht naar goed leraarschap en vertoont een onderzoekende houding
  • De mentor stimuleert de zelfreflectie van de starter, voordat hij met eigen adviezen komt
  • De mentor herkent goed lesgeven, ook als dit een vorm aanneemt die hij zelf niet in huis heeft of die op school niet gangbaar is. Hij heeft een heldere visie op lesgeven en leren lesgeven, maar is er niet op uit de starter tot een kloon van zichzelf te maken
  • De mentor heeft een dusdanige positie op school, dat hij kan zorgen voor andere contacten binnen de school waarvan de starter ook kan leren

Goede begeleidingsgesprekken
Een aantal begeleidingsmodellen kan richtinggevend zijn bij het voeren van begeleidingsgesprekken, zoals ‘de ui’ / de cyclus van Korthagen en het ‘gesprekskwadrant’ of MERID-model bij Crasborn/Hennissen.

Een goede mentor:

  • Zorgt ervoor de starter regelmatig te spreken te krijgen
  • Is beschikbaar zodra er zich problemen voordoen
  • Communiceert hoop en optimisme en steunt de starter
  • Kan aanmoedigen, kan probleemoplossend denken, kan laten zien waar zijn eigen worstelingen lagen en hoe hij deze heeft overwonnen
  • Heeft als hoofddoel samen met de starter factoren te benoemen die maken dat de starter succeservaringen en voldoening beleeft in zijn leraarsrol en kan op die manier richting geven aan verdere professionele ontwikkeling van de starter
  • Staat model in de klassensituatie, door bepaalde onderdelen van een les voor te doen (modelrol), door ‘coaching on the job’, door het helder feedback geven aan de starter
  • Zorgt ervoor dat de starter betekenisvolle verbanden legt tussen wat hij in de theorie heeft geleerd en wat hij in praktijk brengt
  • Daagt de starter voldoende uit om nieuw gedrag uit te proberen in de les
  • Focust sterk op het leren van de leerlingen. Hij heeft leerlingen geobserveerd en bestudeerd en volgt hun denken en leren op de voet
  • Daagt de starter er toe uit om gedeelde beelden te verkrijgen van wat een goede professionele praktijk inhoudt, van de standaarden die je als professional hanteert en hij duldt daarin geen vrijblijvendheid
  • Past de aard van de relatie in de loop van de begeleiding steeds aan, door gaandeweg afstand te nemen als de starter meer op eigen benen gaat staan, zodat de starter van “protegé” steeds meer “buddy” wordt

Vooral het laatste kenmerk luistert volgens de literatuur heel nauw: waar het maar enigszins kan, moet de starter steeds meer echte verantwoordelijkheid op zich kunnen nemen en daar ruimte voor krijgen
Tien principes voor effectieve inductiearrangementen

  1. Er is erkenning voor het feit dat ontwikkeling tijd nodig heeft
  2. Er is een heldere en eenduidige visie op hoe leraren en leerlingen leren en zich ontwikkelen
  3. De werksituatie is zo ingericht zodat werken en leren tegelijkertijd kunnen plaatsvinden
  4. Het nagestreefde leraarschap is helder omschreven
  5. Het startpunt van ieder inductiearrangement is op individuele maat gesneden
  6. Er is professionele begeleiding en steun
  7. De feedback en formatieve beoordeling zijn kwalitatief voldoende
  8. Er is mogelijkheid tot collegiaal samenwerken en samen leren aanwezig
  9. Er is de mogelijkheid om te leren van experts
  10. Alle betrokkenen zijn actief in de monitoring van het hele arrangement

Handreikingen

Officiële informatie over het landelijke programma Begeleiding Startende Leraren (BSL), dat zich richt op het voortgezet onderwijs.

referenties

Leraar24 helpt je graag met kennis over onderzoek en onderwijs in de praktijk.

Leraar24 helpt je graag met kennis over onderzoek en onderwijs in de praktijk.