Relatie binnen- en buitenschools leren

KNOW | bijgewerkt op 04 juni 2013

De relatie tussen binnen- en buitenschools leren lijkt nog voornamelijk onderwerp te zijn van beschouwingen; in onderzoek lijkt deze relatie tot dusver zelden als expliciet thema te verschijnen, maar eerder als aspect van andere studies of theorievorming.
De relatie is onder meer aan de orde bij ‘talentontwikkeling’, als scholen samenwerken met partners die zich hier ook mee bezighouden. In lokale samenwerking worden zulke activiteiten ook wel ingedeeld in ‘talentdomeinen’: Kunst en cultuur; Sport; Wetenschap en Techniek; Natuur- en Milieueducatie; Media en ICT.
Hoe binnen- en buitenschoolse talentontwikkeling zich tot elkaar verhouden, kan ingegeven zijn doordat de school bepaalde aspecten van talentontwikkeling niet op zich kan of wil nemen; of doordat buitenschoolse partners er meer of iets anders in te bieden hebben. Beide overwegingen kunnen leiden tot samenwerking, om leerlingen de kans te geven zich zo breed mogelijk te oriënteren, en hun talenten op één of meer fronten te ontwikkelen: wat interesseert mij, waar liggen mijn talenten, waarin wil ik mij specialiseren?

Zie over de invalshoek ‘maatschappelijke stages en partnerschap’ het artikel Binnen- en buitenschools leren verbinden.

Wat weten we?

Het tot dusver verzamelde onderzoek, in al zijn diversiteit, wijst in elk geval op het belang van kwalitatief goede begeleiding ook bij de buitenschoolse activiteiten.

Diverse studies met aandacht voor de verbinding binnen- en buitenschools leren
Kassenberg, A. (2010) deed, op basis van internationale en nationale literatuur, onderzoek naar de effecten van de uitbreiding van de officiële / formele leertijd en extra curriculaire activiteiten op de talentontwikkeling (cognitief, sociaalemotioneel, burgerschap) van de jeugd tussen 8 en 18 jaar (po, vo en mbo) in het algemeen en van de jeugd in achterstandssituaties in het bijzonder. De resultaten van het effectonderzoek naar naschoolse programma’s blijven vooralsnog diffuus en genereren veel discussie over de oorzaken van de geringe positieve resultaten. Een groot manco in de effectonderzoeken is dat er weinig informatie wordt verschaft over de naschoolse activiteiten. Zo is er weinig bekend over de inhoud van de programma’s. Studies die juist wel ingaan op de kwaliteit van de programma’s en de implementatie gaan weer nauwelijks in op de effecten.

Het programma Pedagogische Kracht (PK) in de Wijk dat tussen 2008 en 2010 is uitgevoerd in een van de krachtwijken in de gemeente Groningen, bevatte een project ter versterking van de relatie tussen binnen- en buitenschools leren.

Veen, A., Boogard, M., Fukkink, R., Valkestijn, M. (2008) deden op acht locaties onderzoek naar opvang en educatie rond de basisschool. Daarbij ging het om aanbod, wensen en behoeften.

Leeman, Y.A.M. & Wardekker, W.L. (2004) gingen in hun lectorale rede (uitgesproken bij de aanvaarding van het lectoraat Pedagogische opdracht van het onderwijs aan de Christelijke Hogeschool Windesheim te Zwolle op woensdag 6 oktober 2004) in op de verbinding van binnen- en buitenschools leren. Zij zien deze verbinding als een vrij centraal aspect in de visie op ‘onderwijs met pedagogische kwaliteit’. Het belang van deze verbinding is met literatuur en casuïstiek onderbouwd.

Talentontwikkeling
Hoorik, I. van (2011) deed literatuuronderzoek, dat concepten van leren en talentontwikkeling vergelijkt, afkomstig van binnen en buiten het onderwijsveld, voor de jeugd in het algemeen en voor risicogroepen. De conclusie is dat talentontwikkeling een vorm van ontwikkelingsstimulering is die (ook) risicojongeren kan motiveren om het beste uit zichzelf te halen, successen te boeken, daarop trots te zijn en zo de smaak te pakken te krijgen om hun prestaties te verbeteren. Daardoor is het tevens een beschermende, of protectieve factor. Talentontwikkeling versterkt de handelingsmogelijkheden in combinatie met identiteitsontwikkeling. Er ontstaan sterkere of nieuwe sociale bindingen door activiteiten in het kader van de talentontwikkeling; dat helpt tevens om los te komen van negatieve invloeden in de peer-omgeving. Met name sport, kunst en ICT lijken voor risicojongeren aantrekkelijke terreinen van talentontwikkeling.

Vos, W. de, Severiens, S., Boom, J. de, Meeuwisse, M. & Hermus, P. (2010) deden onderzoek onder brede scholen in het voortgezet onderwijs. Daaruit blijkt dat leerlingen door de bredeschoolactiviteiten met meer plezier naar school gaan, en naar eigen zeggen meer zelfvertrouwen krijgen. Positieve effecten waren verder vooral aan te wijzen in een grotere sportdeelname en grotere ouderbetrokkenheid bij de schoolprestaties. De onderzoekers stellen: “We kunnen voorzichtig concluderen dat de invulling van de brede school de talentontwikkeling van leerlingen bevordert. Om deze conclusie definitief te kunnen vaststellen, is het nodig het huidige brede schoolbeleid te continueren en te blijven monitoren”. Bij de aanbevelingen opperen de onderzoekers dat er mogelijk meer effect valt te behalen als brede scholen veel aanbod op minder thema’s doen, in plaats van breed in te zetten op veel thema’s. Ook zou het bereik onder leerlingen kunnen toenemen door de activiteiten die onder schooltijd plaatsvinden in het onderwijsprogramma te integreren. Daarnaast is het verbeteren van de kwaliteit en de betrouwbaarheid van de partners een aandachtspunt.

Dat betekent voor de praktijk

De hier verzamelde beschouwingen en praktijkvoorbeelden gaan vooral in op de waarde van participerend leren, zowel binnen als buitenschools, voor de ontwikkeling van kinderen en jongeren.

Oenen, S. van (2013) schreef een artikel over een van de projecten van het ‘Schoolbuurtwerk’ dat in de Amsterdamse buurt Westerpark al ruim twintig jaar thematische projecten ontwikkelt en uitvoert – onder schooltijd maar grotendeels buiten in de buurt – met leerlingen van alle buurt(basis)scholen. Kinderen leren ‘levensecht’ in en van hun eigen buurt met medewerking van bewoners, bedrijven, kunstenaars, lokale ambtenaren of anderen afhankelijk van het project in kwestie.

Pols, W. (2012) gaf een theoretische onderbouwing bij het verloop van leerprocessen als een verbinding van activiteiten en ervaringen via reflectie; en daarbij belangrijk aspecten in de interactie tussen leraar/begeleider en kinderen – laten zien, oriënteren, uitdagen en feedback geven. Pols geeft aan hoe dit op brede scholen verrijkt kan worden in de samenwerking tussen partners, en het integreren van levensechte leeractiviteiten. Hij doet dit tegen de achtergrond van een visie op onderwijs met drie hoofdfuncties: kwalificatie, socialisatie en toekomstvoorbereiding. Het artikel mondt uit in een pedagogisch werkkader voor de brede school (met de elementen tijd en ruimte, curriculum, onderwijsarrangement, en regels, routine, rituelen) dat zowel samen leven als samen leren mogelijk maakt.

Studulski, F. & Peterink, S. (2012) publiceerden een bundel met artikelen over trends in beleid en praktijk; en invullingen (binnen- en buitenschool) van onderwerpen als taal en rekenen, mediawijsheid, burgerschap, loopbaanbegeleiding en oriëntatie, techniek, talent, ouderbetrokkenheid.

Onstenk, J. (2011) bespreekt drie dimensies van de pedagogische visie: de pedagogische opdracht, het pedagogisch klimaat en het pedagogisch perspectief op de leeromgeving. Hierbij is er aandacht voor passend onderwijs, omgaan met diversiteit, samenwerken met ouders en educatieve professionals in en rond de school. De laatste hoofdstukken plaatsen de geïntegreerde pedagogische aanpak in een maatschappelijk kader. Het boek, met zowel theorie als casuïstiek, is bedoeld voor (aankomende) leraren om een goed onderbouwde visie op pedagogisch handelen te ontwikkelen.

In discussies over het onderwijs ligt een te grote nadruk op de minimum(uren)norm en wordt onvoldoende naar voren gebracht dat leerlingen en studenten regelmatig meer tijd aan onderwijs besteden. De Onderwijsraad stelt in het advies Uitgebreid onderwijs (2010) een ambitieuzere insteek voor en wil extra aanbod van onderwijs en het extra gebruik hiervan stimuleren. Dit sluit aan bij de ambitie van Nederland om in de top vijf van kenniseconomieën te komen, en bij het daarmee samenhangende belang van bredere talentontwikkeling. In Stand van educatief Nederland 2009 werd het begrip uitgebreid onderwijs geïntroduceerd om aandacht te vragen voor de vele educatieve activiteiten die buiten het reguliere programma plaatsvinden. In ‘Uitgebreid onderwijs’ werkt de raad dit verder uit door aanbod en effectiviteit van uitgebreid onderwijs nader te preciseren en de vraag te beantwoorden welke maatregelen scholen en de overheid kunnen nemen om uitgebreid onderwijs systematischer en duurzamer vorm te geven.

In een ander advies, Een onderwijsprogramma met maatschappelijke voorhoedes (2010), pleit de Onderwijsraad voor een inhoudelijke inzet van maatschappelijke voorhoedes. Hierdoor kunnen zij leerlingen en studenten een bredere oriëntatie op de maatschappij meegeven. Zelf kunnen voorhoedes hiermee hun bevlogenheid doorgeven aan een volgende generatie, hun sector bij leerlingen op de kaart zetten en een bijdrage leveren aan een betere scholing van leerlingen en studenten. Het kan daarbij gaan om breed erkende voorhoedes in sectoren als kunst, industrie, dienstverlening, bestuur, sport, recht en zorg, maar ook om voorhoedes op meer plaatselijk of lokaal niveau. Van belang is dat de persoon in kwestie als rolmodel kan dienen voor de leerling en student en dus enige aansluiting heeft met zijn belevingswereld.

Valkestijn, M., Bakker, P. & Westering, Y. (2010) vormden de redactie van een bundel met artikelen over pedagogische visieontwikkeling, vraaggerichte ontwikkelarrangementen in Nijmegen met diverse partners, bioritme en schooltijden, relatie met kinderopvang, kwaliteit en evaluatie in Almere en elders, rol van het schoolbestuur in Breda, aanpak van kindermishandeling en zorg.

Oenen, S. van & Hajer, F. (2004, 3e druk) vormden de redactie van een bundel die een theoretisch kader met een ontwikkelingsgerichte visie geeft op de relatie tussen leren binnen en buiten school. In het licht daarvan zou de brede school moeten fungeren als centrum van waaruit zowel het leren op school als buitenschoolse ‘ervaringsarrangementen’ worden georganiseerd, in een doorgaande ontwikkelingslijn. Volgende hoofdstukken gaan over de verhouding tussen binnen- en buitenschools leren in diverse opzichten: vrije tijd en spel als ontwikkelingscontexten, taalontwikkeling, ICT, kunst en sport; het educatieve potentieel van de buurt; arbeidsoriëntatie in (v)mbo. De meeste hoofdstukken zijn zeer casuïstiek.

Oenen, S. van & Valkestijn, M. (2003) analyseerden ontwikkelingen in onderwijs, welzijnswerk en beider relatie; uitmondend in een concept voor een gezamenlijk streven naar ‘meer levensecht leren’. Bij dit streven zijn een aantal kernelementen benoemd en uitgewerkt: stimuleren van maatschappelijke participatie, stimuleren van oriëntatie en ontmoeting, stimuleren van specifieke competenties. Dit concept komt onder meer voort uit een zestal casestudies van welzijnswerk in bredeschoolverband, die in het boek illustratief in beeld komen. Ook worden tal van knelpunten en dilemma’s besproken die de betrokkenen uit school en welzijn zelf uit hun praktijkervaring naar voren brachten.

Handreikingen

Methodieken worden onder meer verzameld in de hier genoemde websites. Daarnaast zijn hier tot dusver enkele handboeken en andere materialen verzameld voor het ontwikkelen van  de verbinding van binnen- en buitenschools leren, en talentontwikkeling.

Websites
Movisie heeft een databank Effectieve Sociale Interventies voor de sociale sector.
CAL-XL is een platform en katalysator voor nieuwe verbindingen tussen artistieke en maatschappelijke sectoren.

Andere publicaties/bronnen
Doornenbal, J., Oenen, S. van & Pols, W. (Red.). (2012) vormden de redactie van een boek voor (toekomstige) leraren, pedagogisch medewerkers en sociale professionals, en hun leidinggevenden, die de pedagogische opdracht van de pedagogische school samen in praktijk (willen) brengen. Na een introductie via twee uitgebreide casussen volgt een analyse van ontwikkelingen in de relatie tussen school en omgeving, die leidt tot een pedagogische grondslag en werkkader voor de brede school. Dit wordt uitgewerkt in hoofdstukken over: interprofessioneel samenwerken; de buurt als leeromgeving voor burgerschap;  spelen, informeel leren en ontspannen in de kinderopvang; sport; cultuureducatie; kwetsbare kinderen; samenwerking met ouders. Een overzicht en interpretatie van onderzoek naar de bredeschoolontwikkeling is meegenomen in de afsluitende conclusies. Elk hoofdstuk bevat ook opdrachten voor studenten.

Oenen, S. van, Bakker, P. & Valkestijn, M. (2005) schreven een werkboek, dat een beredeneerd, samenhangend instrumentarium geeft om doelen en methodische uitgangspunten van jeugdactiviteiten (in bredeschoolverband) te formuleren en evalueren, corresponderend met educatieve ontwerpen voor deze activiteiten. Het gaat om activiteiten voor kinderen of jongeren, onder of na schooltijd, uitgevoerd door buitenschoolse organisaties in samenwerking met scholen. Inhoudelijk kader is het streven naar meer levensechte vormen van leren.

Talentontwikkeling
In het eerste deel van Alles is Talent wordt beschreven welke processen een rol spelen bij talentontwikkeling; vooral inzake de samenwerking tussen partners die voorwaarden schept voor brede talentontwikkeling. In deel 2 worden instrumenten aangereikt waarmee activiteiten kunnen worden opgezet. In aanvulling hierop kan materiaal worden gedownload van www.sardes.nl.

Valkestijn, M. & Oenen, S. van (2002) beschrijven de opbrengsten van een vierjarig experiment met de ‘Verlengde schooldag’ in het voortgezet onderwijs (vooral vmbo), op 7 locaties (in de vier grote steden, en drie kleinere).

referenties

Leraar24 helpt je graag met kennis over onderzoek en onderwijs in de praktijk.

Leraar24 helpt je graag met kennis over onderzoek en onderwijs in de praktijk.