De lerende adolescent

NIHC | bijgewerkt op 05 juli 2016

Hoe verloopt de cognitieve en emotionele ontwikkeling van adolescenten en waarom is die per individu zo verschillend?

Tijdens de adolescentie voltrekken zich grote lichamelijke, psychologische en sociale veranderingen. Eenvoudige sociale interacties met vooral de ouders maken plaats voor diepe betekenisvolle relaties met leeftijdsgenoten. Ook maken hogere cognitieve functies als zelfregulatie, planning en perspectiefname een belangrijke ontwikkeling door.

Deze ontwikkeling verloopt niet voor alle adolescenten hetzelfde. Het programma ‘De lerende adolescent’ probeert vat te krijgen op de verschillen in cognitieve en emotionele ontwikkeling tijdens de adolescentie. Het kijkt in diverse projecten naar de biologische, psychologische, didactische, sociale en culturele factoren die deze ontwikkeling beïnvloeden en mogelijk individuele verschillen kunnen verklaren. Er is daarvoor gebruikgemaakt van een grootschalig longitudinaal onderzoek, experimentele studies (zoals hersenimaging) en interventies in het onderwijs. De lerende adolescent is een programma binnen de pijler Leren van het onderzoeksprogrammaHersenen en Cognitie: Maatschappelijke Innovatie in gezondheidszorg, educatie en veiligheid .

Wat weten we?

Sociale factoren spelen een belangrijke rol bij het schools presteren, zo blijkt uit een aantal onderzoeken. De sociaal-cognitieve ontwikkeling is niet alleen belangrijk voor het aangaan van sociale relaties, maar leerlingen die hoger scoren op sociale cognitie, doen het ook beter op school (Derks, 2015). Voor de ontwikkeling van sociale cognitie hebben adolescenten niet alleen sociale vaardigheden nodig, maar moeten zij ook beréid zijn om anderen tegemoet te komen.

Meisjes hebben beter ontwikkelde sociale vaardigheden en dat is goed voor hun leerprestaties. Alleen over een sociale vaardigheid als vertrouwen hebben in anderen, beschikken jongens echter weer meer. Individuele verschillen in vertrouwen hangen verder samen met de bereidheid om risico’s te nemen en met peer-invloeden.

Doelgericht gedrag

In het onderzoek ‘Slim naar school’ is gekeken naar doelgericht gedrag – het kunnen plannen, zelfstandig werken, problemen oplossen – van jonge adolescenten. Leerlingen die over een betere zelfregulatie beschikken, zijn minder gevoelig voor groepsdruk. Mediagebruik, vooral het gebruik van meerdere media tegelijk, heeft een negatieve invloed op zelfregulatie. Bovendien slapen leerlingen die veel met media in de weer zijn minder. Terwijl leerlingen die langer slapen beter zelfstandig taken kunnen uitvoeren en problemen kunnen oplossen.

Daarnaast zijn cafeïne en energiedrankjes ook niet zo bevorderlijk. Zelfs het gebruik van een klein beetje hangt samen met minder goed dagelijks functioneren en minder doelgericht gedrag. Uit het onderzoek blijkt dat een kwart van de leerlingen uit groep 8 al regelmatig energiedrankjes drinkt en in het voortgezet onderwijs neemt dat gebruik alleen maar toe.

Sociale uitsluiting

Een ander project bestudeerde welke neurocognitieve mechanismen een rol spelen bij sociale uitsluiting (Will, 2015). Daartoe werden scans gemaakt van de hersenen van pubers wier sociale ontwikkeling op de basisschool was gevolgd.

Pubers die jarenlang minder geaccepteerd waren, vertonen een verhoogde ‘neurale gevoeligheid’ zodra zij opnieuw worden buitengesloten. Er was meer activiteit in hun neurale ‘alarmsysteem’, een netwerk in het brein dat betrokken is bij aandacht, maar ook bij negatieve gevoelens.

Jongeren die er vroeger minder goed bij hoorden, doen een groter beroep op ‘controle-netwerken’ in hun brein wanneer zij zich sociaal moeten opstellen tegen iemand die hen net heeft buitengesloten. Mogelijk kost het hen meer moeite zich sociaal te gedragen na een negatieve ervaring.

Referenties:

Derks, J. (2015), Adolescent Social Cognition: Development and Individual Differences. Vrije Universiteit Amsterdam.

Balspel zet pesten buitenspel. Promovendus in beeld: Geert-Jan Will.

Will, G.J. (2015), Acceptance, rejection, and the social brain in adolescence. Toward a neuroscience of peer relations. Universiteit Leiden.

Dat betekent voor de praktijk

Het is al jaren een zorg: jongens die in het voortgezet onderwijs onderpresteren en dreigen uit te vallen. Meisjes doen het beter. In samenwerking met O.R.S. Lek en Linge in Culemborg onderzocht het onderzoeksinstituut LEARN! van de VU Amsterdam in hoeverre sociale factoren van invloed zijn op het leren en wat verschillen tussen jongens en meisjes daarin betekenen.

Hoe hoger de scores van leerlingen op sociale factoren als empathie en emotie-herkenning in het eerste en tweede jaar, des te hoger hun schoolcijfers in het derde jaar. Bekend is ook dat de sociale vaardigheden van meisjes over het algemeen beter zijn ontwikkeld dan die van jongens. Toch kan dit niet alleen de betere prestaties van meisjes verklaren. Andere factoren als planning en organisatie spelen tevens een rol. Dit soort domeinoverstijgende vaardigheden zijn van grote invloed op de schoolprestaties van jongens en meisjes. Scholen zouden jongens kunnen helpen deze domeinoverstijgende vaardigheden eigen te maken.

Pesten

Pubers die op de basisschool werden afgewezen door klasgenoten, zijn gevoeliger voor sociale uitsluiting – een vorm van pesten – in de adolescentie. Afgewezen kinderen en jongeren kunnen op den duur ernstige problemen krijgen, zoals slechtere schoolprestaties, maar ook angststoornissen en depressies. Klasgenoten kunnen slachtoffers van pesten helpen. Het promotieonderzoek van Will (2015) laat zien dat zij zich daar wel voor moeten kunnen inleven in de positie van het slachtoffer. Leraren kunnen leerlingen aanmoedigen zich  te verplaatsen in een ander – hoe zou jij je voelen – en hen zo stimuleren in te grijpen.

Referenties

Sociale Cognitie, Onderwijs & Leerstijlen; verschillen tussen jongens en meisjes. Brochure van het onderzoeksinstituut LEARN! van de Vrije Universiteit Amsterdam.

Van Gelder, L. (2014) VU-hoogleraar Jelle Jolles: ‘Jongens- en meisjesbrein kan even goed worden‘. Artikel in Het Parool.

Geert-Jan Will, videoblog over de rol van leeftijdgenoten. Ook te zien op YouTube onder de titel Buitensluiten en het puberbrein.

Handreikingen

De brochure van LEARN! geeft een aantal adviezen om onderpresteren te verminderen van leerlingen met een jongensachtige leerstijl:

  • Bied goed gestructureerde lessen met variatie van activiteiten aan, maar bewaak de balans. Te veel variatie tast de structuur aan en maakt de lessen rommelig.
  • Benader leerlingen positief en geef hun stimulerende feedback.
  • Help (jongensachtige) leerlingen in de brugklas met domeinoverstijgende vaardigheden, zoals het plannen van huiswerk, op tijd beginnen met toetsen voorbereiden, afwisseling aanbrengen in het leren.
  • Help hen inzicht te krijgen in hun zwakkere kanten en hoe ze daar aan kunnen werken.
  • Geef leerlingen af en toe wat beweging in de les.
  • Houd rekening met het belang van sociale vaardigheden in de klas. Omdat jongens gemiddeld wat achter lopen op sociale vaardigheden, kunnen zij extra begeleiding gebruiken.
In gesprek

Voor vragen over dit onderzoek kunt u contact opnemen met Lydia Krabbendam, hoogleraar Onderwijsneuropsychologie aan de Faculteit Psychologie en Pedagogiek van de Vrije Universiteit.

Leraar24 helpt je graag met kennis over onderzoek en onderwijs in de praktijk.

In gesprek

Voor vragen over dit onderzoek kunt u contact opnemen met Lydia Krabbendam, hoogleraar Onderwijsneuropsychologie aan de Faculteit Psychologie en Pedagogiek van de Vrije Universiteit.

Leraar24 helpt je graag met kennis over onderzoek en onderwijs in de praktijk.