onderzoek
mbo
po
vo

Jeugdparticipatie en diversiteit

Jeugdparticipatie is een ruim begrip. Er kan eenvoudig ‘deelname aan iets’ onder worden verstaan, of vormen van deelname met bijzondere betrokkenheid of inzet: van inhoudelijk of organisatorisch (mede)initiatief bij activiteiten, tot inspraak en medezeggenschap. Het kan gaan om participatie op alle terreinen: van gezin tot school, vrije tijd, arbeid, vrijwillige inzet of politiek. Burgerschapsbeoefening is dan ook een van de dimensies van jeugdparticipatie, behandeld in Burgerschapsvorming in school en Burgerschapsvorming school en omgeving.

Dit artikel behandelt participatie in ruimere zin, en wel met het oog op de diversiteit in jeugdparticipatie. Sociale integratie én segregatie zijn direct hiermee verbonden verschijnselen. Er zijn sterke verschillen in de participatie van jeugdigen en de stimulansen die ze daarbij uit hun omgeving krijgen. In hoeverre zijn die verschillen van invloed op de schoolparticipatie en schoolprestaties – moeten scholen daarom ook buitenschoolse participatiemogelijkheden stimuleren – en/of is dat nodig en zinnig uit oogpunt van sociale cohesie? Diezelfde vragen spelen omtrent de segregatie in de vorm van zwarte en witte scholen en scholen met rijke en arme jeugd.

Bij jeugdparticipatie gaat het zowel om de kwaliteit van de actuele participatie van kinderen of jongeren (waar doen ze nu al aan mee, op welke manier, de mogelijkheden hiertoe), als om het ontwikkelingsaspect (de ontwikkeling van hun participatieniveau, en de uitbreiding van hun participatieterreinen). In dit artikel ligt het accent op aspecten van diversiteit.

Voor het ontwikkelingsaspect in participatie zie ook Relatie binnen- en buitenschools leren.

Wat weten we?

Er is veel onderzoek over de invloed van sociaal-culturele en -economische verschillen op de sociale participatie van jeugd. Hier zijn slechts enkele voorbeelden opgevoerd, onderscheiden in onderzoek naar participatieverschillen algemeen, naar cultureel-etnische diversiteit en segregatie, en naar bepaalde aanpakken.

Participatieverschillen algemeen

In het onderzoek van Jehoel-Gijsbers, G. (2009) wordt maatschappelijke deelname op drie manieren gedefinieerd. In de smalle definitie gaat het alleen om de gangbare vrijetijdsactiviteiten van sport en cultuur, vaak via lidmaatschap en met hieraan verbonden kosten. De ruimere definitie omvat ook (minimaal) wekelijkse participatie in vrijetijdsactiviteiten vanuit het wijk- of buurthuis, door de gemeente, de bso of de school. Onder de meest omvattende definitie vallen ook jeugdactiviteiten die door de kerk of moskee worden georganiseerd, eveneens met een minimaal wekelijkse deelname. Volgens de smalle definitie van maatschappelijke deelname participeert 49% van de bijstandskinderen en 32% van de ‘overig arme’ kinderen niet; volgens de tweede definitie is dat respectievelijk 44% en 30%; en volgens de meest uitgebreide definitie gaat het om 39% en 27%. Voor de niet-arme kinderen liggen deze percentages veel lager: 18%, 17% en 15%. De financiële reden blijkt het meest van invloed op niet-deelname aan sport, en dan vooral bij de bijstandsgroep. Voor culturele activiteiten speelt deze een geringere rol en voor buitenschoolse activiteiten worden financiële redenen slechts zelden genoemd als verklaring om niet deel te nemen. Arme kinderen zitten veel minder vaak dan niet-arme kinderen op georganiseerde activiteiten waarvoor meestal moet worden betaald: een sport, culturele activiteit of scouting. Zij nemen echter in ongeveer gelijke mate deel aan speciale activiteiten op de bso en aan buitenschoolse activiteiten.

Uit onderzoek door Koster, M. (2008) naar de sociale participatie van leerlingen met beperkingen wat betreft hun omgang in de klas, blijkt dat deze participatie binnen een reguliere onderwijssetting niet automatisch tot stand komt. Ondanks dat het merendeel van de leerlingen met beperkingen vrienden in de groep heeft, positieve contacten heeft met klasgenoten, geaccepteerd wordt en zich geaccepteerd voelt, wordt bij een deel van deze kinderen de gewenste sociale participatie niet bereikt.

Cultureel-etnische diversiteit en segregatie

In een Themanummer van Pedagogiek. Cultureel-etnische diversiteit in maatschappij en onderwijs.  32 (augustus 2012) 2 staan verschillende artikelen:

  • Bakker, J. (2012). Cultureel-etnische segregatie in het onderwijs: achtergronden, oorzaken en waarom te bestrijden? In Pedagogiek 32 (2), 104-128.

    Dit essay belicht het politiek en wetenschappelijk discours dat in nagenoeg de gehele westerse wereld wordt gevoerd over de cultureel-etnische (de) segregatie van met name het primair onderwijs. De belangrijkste oorzaken van desegregatie worden besproken, maar ook de maatregelen die in de diverse landen worden genomen om die te bestrijden.

    Etnisch gemengde scholen lijken lang niet altijd te leiden tot duurzaam interetnisch contact of gunstiger attitudes jegens andere cultureel-etnische groepen. Intercultureel onderwijs in de klassieke zin van het woord levert niet de gewenste, soms zelfs averechtse effecten op; mogelijk omdat daarmee het ‘anderszijn’ van de anderen te zeer wordt benadrukt. Wel effectief blijkt intercultureel onderwijs in vormen als coöperatief leren en de ‘self disclosure-strategie’ die impliciet juist overeenkomsten tussen leerlingen benadrukken.

    Er lijkt gerede aanleiding om te veronderstellen dat het gedrag en de attitude van leraren de effecten van schoolcomposities tenminste mede helpen verklaren. Stereotype beelden bij leraren over etnische minderheden kunnen tot lagere prestatieverwachtingen leiden, terwijl cultuurresponsieve leraren met kennis van de achtergronden van hun leerlingen een klimaat weten te scheppen waarin leerlingen op gelijke voet met elkaar praten en omgaan. Nader onderzoek hiernaar lijkt geboden. Gegeven de huidige stand van onderzoek lijken empirische bevindingen vooralsnog niet eenduidig voor of tegen de desegregatie van het onderwijs te pleiten. Het gaat hierbij niet alleen om een pedagogische, maar ook om een politieke of moreel-ethische keuze.

  • Agirdag, O., Avermaet. P. van & Houtte, M. van (2012). De vraag is waarom: de impact van segregatie op cognitieve en non-cognitieve uitkomsten. In Pedagogiek 32 (2), 104-129.
  • Merry, M., Driessen, G. & Oulali, I. (2012). Doet onderwijssegregatie ertoe? In Pedagogiek 32 (2), 129-151.
  • Walraven, G. m.m.v. Peters, D. (2012). Segregatie in het basisonderwijs tegengaan en dialoog bevorderen: de casus Nederland. In Pedagogiek 32 (2), 151-165.
  • Pels, T. (2012). Diversiteit en de pedagogische functie van het onderwijs. In Pedagogiek 32 (2), 165-180.

Ledoux, G., Felix, C., (2011)

deden onderzoek naar de visie en aanpak van schoolbesturen in 35 grotere gemeenten in Nederland op segregatie in het onderwijs en segregatiebestrijding. Een ruime meerderheid van de ondervraagde besturen vindt dat sociaal-economische, etnische segregatie en/of segregatie van zorgleerlingen bestreden moeten worden. Slechts 11% vindt geen enkele vorm van segregatiebestrijding nodig en een vijfde deel heeft geen mening. Ongeveer 40% van de besturen in het po heeft te maken met al deze vormen van segregatie. In het vo is het beeld gedifferentieerd. vmbo-scholen hebben, als segregatie zich voordoet, vooral te maken met (te) veel leerlingen van laag opgeleide ouders of (te) veel allochtone leerlingen. Havo/vwo scholen zijn juist eerder wit of te wit en hebben vaker (te) veel leerlingen van hoog opgeleide ouders. Feitelijke segregatiebestrijdende maatregelen van besturen komen echter vrij weinig voor. Slechts een derde van de besturen heeft een of meer maatregelen genomen. Het meest gebruikelijk zijn voorlichting geven aan ouders; bepaalde scholen aantrekkelijker of sterker maken via extra investeringen, en toelatingsbeleid. Maatregelen als acties van ouders ondersteunen, scholen sluiten of verplaatsen en contacten tussen witte en zwarte scholen bevorderen komen veel minder voor.

Distelbrink, M., Essayah, O. & Vandenbroucke, M. (2010)

 hebben een onderzoeksagenda op het gebied van diversiteit in jeugdbeleid samengesteld. Dat deden ze op basis van literatuurstudie en gesprekken met experts, migrantenjongeren en ouders.

Onderzoek naar bepaalde aanpakken

Veen, A., Veen, I. van der, Koopman, P. (2011)

 verzorgden het evaluatieonderzoek naar het project Capabel. Dit project in stadsdeel Bos en Lommer in Amsterdam is begin jaren ’90 van de vorige eeuw opgezet. Dit project had tot doel om te bevorderen dat kinderen en jongeren met een achterstand zo goed mogelijk toegerust zouden gaan deelnemen aan onderwijs en samenleving. Project Capabel richtte zich hiertoe op het initiëren en coördineren van een breed spectrum van onderwijsondersteunende activiteiten voor kinderen, jongeren en hun ouders, die behoren tot de doelgroepen van het Onderwijsachterstandenbeleid. Het project heeft 18 jaar geduurd; eind 2008 werd het afgesloten. De kinderen die in hun eerste levensjaar aan het project zijn gaan meedoen, waren toen 18 jaar. Uit deze eindevaluatie blijkt onder meer dat de schoolprestaties van de kinderen en jongeren in Bos en Lommer gedurende projectperiode zijn verbeterd. In hoeverre dit aan het project is toe te schrijven, valt niet ondubbelzinnig vast te stellen. Daarvoor is er in de 18 jaar dat het project liep te veel in het stadsdeel gebeurd. Maar het project lijkt zeker van waarde geweest: voor grote groepen ouders en voor betrokken basisscholen. Ouders, met name uit de beginperiode, hebben een mentale boost gekregen en gemerkt dat ze samen met anderen hun kinderen kunnen ondersteunen. Scholen hebben een zetje gekregen in de omgang met de ouders en zagen de ouders steeds makkelijker.

Dat betekent voor de praktijk

Hier zijn informatiebronnen en beschouwingen verzameld omtrent (on)mogelijkheden van de school tot bevordering van sociale cohesie of bestrijding van segregatie; en over mogelijkheden om meer verbinding met de leefwerelden van jeugd en jeugdculturen tot stand te brengen, met name met het oog op leermotivatie.

Publicaties / bronnen

Pels, T., Jonkman, H., & Drost, L. (2011)

schreven in opdracht van het ministerie van OCW een essay. Verhoging van de leermotivatie vraagt om aandacht voor de leefwereld van jongeren zelf, hun kijk op onderwijs en invloeden daarop vanuit hun omgeving zoals gezin, vriendengroep, buurt, virtuele netwerken.

Moekotte, P. & Simons, R.J. (2010)

schreven een artikel over sociale media middel voor participatief leren. ‘Kinderen zijn tegenwoordig veel meer bezig met vormen van buitenschools leren. Er ontstaan leersituaties die vroeger niet mogelijk waren. Die mogelijkheden en kansen moeten we serieuzer nemen en benutten in het onderwijs’, aldus Robert Jan Simons in een interview. De vragen die sociale media oproepen zijn of, en zo ja, hoe docenten hier iets mee zouden kunnen. Die vragen worden meestal snel gevolgd door deelvragen die betrekking hebben op de (meer)waarde en duurzaamheid van deze wetenschappelijke inzichten. In dit artikel worden in navolging van Robert Jan Simons de ‘mogelijkheden en kansen´ van sociale media besproken en wordt ingegaan op de gevolgen van zijn aanbevelingen voor de onderwijspraktijk van docenten.

De Onderwijsraad (2007) stelde vast dat gemengde scholen erin slagen een ‘wij-gevoel’ te creëren als zij een visie formuleren op de school als leef- en leergemeenschap. Op basis hiervan ontstaat een duidelijke identiteit die de school kan uitdragen naar ouders en andere betrokkenen. De raad beschreef drie routes die scholen zouden kunnen bewandelen op weg naar een verbindende schoolcultuur, tevens te zien als onderdeel van burgerschapsvorming: 1) convergentie, de toekomst staat voorop en alle leerlingen worden zonder onderscheid van herkomst behandeld; 2) de school profileert zich juist als een mengkroes van culturen: eerst de herkomst, dan de toekomst van de leerlingen; 3) levensbeschouwingen en religies staan centraal als bindmiddel.

In een eerder advies van de Onderwijsraad (2005) wordt ingegaan op de inzet van ‘peercoaching’ en mentoring’ ter versterking van de sociale netwerken van kinderen en jongeren.

Integratie – segregatie

Opvoeden betekent zowel overdracht van het bestaande erfgoed als het voorbereiden van het kind op een open toekomst. Pels, T. (2010) bespreekt deze polariteit op het niveau van het gezin en van andere opvoedingscontexten zoals de buurt, school, moskee en jeugdzorg. Zij laat zien dat de beeldvorming over de opvoeding van nieuwe Nederlanders op een aantal punten bijstelling behoeft: zo passen ouders zich in hoger tempo aan dan algemeen wordt verondersteld, maar houdt een te snelle en eenzijdige aanpassing meer risico in dan loyaliteit aan beide werelden. Ook verdienen autochtone opvoeders, evenals de mede-opvoeders buiten het gezin, meer aandacht in hun worsteling in de omgang met diversiteit. Ten slotte betoogt Pels dat naast culturele vraagstukken de ontwikkeling van emotioneel kapitaal, waaronder vertrouwen, meer aandacht verdient in de opvoeding en ondersteuning van opvoeders.

Handreikingen

Hier is een start gemaakt met verzamelingen van methodieken en handreikingen uit enkele projecten, ter bevordering van participatie en de omgang met integratie / segregatie; mede in het licht van verschillen in sociaal-culturele en –economische achtergronden van kinderen en jongeren.

Sites met methodiekverzamelingen

  • Movisie heeft een databank Effectieve Sociale Interventies voor de algehele sociale sector.
  • Het Nederlands Jeugdinstituut heeft een databank Effectieve Jeugdinterventies met interventies die primair gericht zijn op probleempreventie of curatie.
  • CAL-XL is een platform en katalysator voor nieuwe verbindingen tussen artistieke en maatschappelijke sectoren. Beide sites zijn van het Landelijk Kennisinstituut voor Cultuureducatie en Amateurkunst.
Beschrijving
Onderzoek naar de visie en aanpak van schoolbesturen in 35 grotere gemeenten in Nederland op segregatie in het onderwijs en segregatiebestrijding.
Auteur(s)
Ledoux, G., Felix, C.,
Jaar
2011

Beschrijving
Het project Capabel in het Amsterdamse stadsdeel Bos en Lommer had tot doel om te bevorderen dat kinderen en jongeren met een achterstand zo goed mogelijk toegerust zouden gaan deelnemen aan onderwijs en samenleving.
Auteur(s)
Veen, A., Veen, I. van der, Koopman, P.
Jaar
2011

Beschrijving
Literatuurstudie en gesprekken met experts, migrantenjongeren en ouders.
Auteur(s)
Distelbrink, M., Essayah, O. & Vandenbroucke, M.
Jaar
2010

Beschrijving
Verslag van de landelijke nulmeting in 2008 met als centrale onderzoeksvraag: 'Hoe groot is - voorafgaand aan de beleidsinzet - het aantal kinderen uit arme en uit niet-arme gezinnen dat om financiële redenen niet maatschappelijk meedoet?'
Auteur(s)
Jehoel-Gijsbers, G.
Jaar
2009

Beschrijving
Uit dit onderzoek naar de sociale participatie van leerlingen met beperkingen, wat betreft hun omgang in de klas, blijkt dat deze participatie binnen een reguliere onderwijssetting niet automatisch tot stand komt.
Auteur(s)
Koster, M.
Jaar
2008

Beschrijving
Essay in opdracht van OCW. Verhoging van de leermotivatie vraagt om aandacht voor de leefwereld van jongeren zelf, hun kijk op onderwijs en invloeden daarop vanuit hun omgeving zoals gezin, vriendengroep, buurt en virtuele netwerken.
Auteur(s)
Pels, T., Jonkman, H., & Drost, L.
Jaar
2011

Beschrijving
In dit artikel worden de mogelijkheden en kansen van sociale media besproken en wordt ingegaan op de gevolgen van de aanbevelingen voor de onderwijspraktijk van docenten.
Auteur(s)
Moekotte, P. & Simons, R.J.
Jaar
2010

Beschrijving
Opvoeden betekent zowel overdracht van het bestaande erfgoed als het voorbereiden van het kind op een open toekomst. Pels bespreekt deze polariteit op het niveau van het gezin en van andere opvoedingscontexten zoals de buurt, school, moskee en jeugdzorg.
Auteur(s)
Pels, T.
Jaar
2010

Beschrijving
De Onderwijsraad stelde vast dat gemengde scholen erin slagen een wij-gevoel te creëren als zij een visie formuleren op de school als leef- en leergemeenschap.
Auteur(s)
Onderwijsraad
Jaar
2007

Beschrijving
De raad adviseert onder meer de inzet van peercoaching en mentoring ter versterking van de sociale netwerken van kinderen en jongeren.
Auteur(s)
Onderwijsraad
Jaar
2005


E-mailadres wordt niet gepubliceerd. Hiermee kunnen wij reageren op je bericht.