Regionaal netwerk kwaliteitsverbetering

Kennisrotonde | bijgewerkt op 21 juni 2016

Hoe kan een regionaal netwerk positief bijdragen aan duurzame innovatie en kwaliteitsverbetering van het voortgezet onderwijs?

Wat weten we?

Netwerken lijken de optimale coördinatievorm in situaties waarin kennisintensiteit, flexibiliteit en vertrouwen een grote rol spelen. De meerwaarde van netwerken sluit goed aan bij de kenmerken van de publieke dienstverlening zoals het onderwijs. Maar of netwerken positieve effecten hebben op het onderwijs, daar is in onderzoek geen bewijs voor gevonden.

Er zijn ongeveer 40 netwerken van leraren of scholen (Oberon, 2016). De verwachting is dat zulke netwerken een bijdrage kunnen leveren aan onderwijsverbetering. Dat kan langs twee wegen: netwerken kunnen worden ingezet bij de verspreiding van innovaties of voor vernieuwingen die van onderaf – op de werkvloer – ontstaan (Blok en Van Eck, 2008).

De huidige samenwerkingen en netwerken in het vo door Oberon verzameld, zijn nagenoeg allemaal van bovenaf geregisseerd en nauwelijks van onderop ontstaan. Bij netwerken als VO-HO-netwerk, School aan Zet en Talentontwikkeling VO heeft de Rijksoverheid budget beschikbaar om scholen te interesseren zich aan te sluiten (via subsidieregelingen of gratis ondersteuning). Soms is samenwerking of een netwerk zelfs van een wettelijke basis voorzien (LEA, bijvoorbeeld, art. 67 WPO). Hierbij worden structurele samenwerking en netwerkvorming dus ingezet als beleidsinstrument om beleidsdoelstellingen te realiseren. Een enkel initiatief zoals de iScholengroep is van onderaf opgericht.

Een inventarisatie van Regioplan (2015) toont meer samenwerkingsvormen tussen vo-scholen, bijvoorbeeld gericht op de bevordering van de kwaliteit en professionaliteit van leraren (Regioplan, 2015). Interscholaire peer-review en kennisuitwisselingstrajecten komen het meest voor. Het gaat vrijwel allemaal om langlopende, duurzame samenwerkingen, van onderaf opgericht.

Soort netwerken

Powell (1990) ziet een organisatienetwerk als een coördinatievorm naast de bestaande vormen van markt (voor eenmalige transacties, flexibel) en hiërarchie (voor herhaalde uitwisseling, minder flexibel). Volgens hem zijn organisatienetwerken een derde, volwaardige vorm van coördinatie omdat ze afstemming mogelijk maken zonder de nadelen van markt en hiërarchie. Organisatienetwerken regelen afhankelijkheden en het informatieverkeer tussen partners terwijl er toch sprake blijft van flexibiliteit.

Volgens Delden (2009) lijken netwerken de optimale coördinatievorm in situaties waarin kennisintensiteit, flexibiliteit en vertrouwen een grote rol spelen. Hij betoogt dat de meerwaarde van organisatienetwerken goed aansluit bij de kenmerken van de publieke dienstverlening. Het gaat daar om vraagstukken die vragen om veel informatie-uitwisseling en behoorlijk onvoorspelbaar zijn. Dat vereist flexibiliteit en continue interactie.

Sturing

Vormen van sturing (governance) van organisatienetwerken zijn (Kenis en Provan, 2008):

  • Het zelfregulerend netwerk, dat bestaat uit verschillende organisaties die op een collectieve manier samenwerken en geen overkoepelende besturingseenheid hebben.
  • Het leiderorganisatienetwerk, waarin verticale relaties bestaan tussen afnemers en aanbieders of tussen subsidiërende en ontvangende organisaties. Alle leden hebben in zekere mate een gemeenschappelijke doelstelling en er is deels samenwerking en interactie. Eén van de leden treedt op als besturingseenheid die alle activiteiten en belangrijke besluiten coördineert.
  • Een netwerk administratieve organisatie (of NAO), die het netwerk managet en activiteiten coördineert maar niet is actief in het primaire proces.

Delden (2009) concludeert dat horizontale, gezamenlijke besturing (zelfregulerend netwerk) geschikter is in een situatie met veel vertrouwensrelaties en weinig partners terwijl de andere twee vormen (leiderorganisatienetwerk en NOA) geschikter zijn in situaties met minder vertrouwensrelaties en een groter aantal partners.

Effecten

Er is weinig onderzoek naar de effectiviteit van netwerken in het realiseren van (beleids)doelstellingen. Blok en Van Eck (2008) hebben onderzoek doorgelicht naar effecten van ‘leren in netwerken’ op de professionalisering van leraren en op schoolontwikkeling in het primair onderwijs. Het idee is dat zulke netwerken in belangrijke mate bijdragen aan onderwijsverbetering, maar daar is geen wetenschappelijk bewijs voor. Het is van belang hier te benadrukken dat het dus ook aan bewijs ontbreekt voor de stelling dat netwerken niet effectief zouden zijn.

Moolenaar, Sleegers en Alan (2012) vinden ook weinig empirisch bewijs voor de effecten van netwerken, maar zagen in hun eigen onderzoek in het primair onderwijs wel dat lerarennetwerken samengaan met een sterke doelgerichte houding van leraren (efficacy) wat positief effect heeft op leerlingprestaties.

Uit een ander domein – justitie – is wel iets bekend over de effectiviteit van netwerkorganisaties. Het gaat daarbij om de zogenoemde Veiligheidshuizen, waar professionals uit de strafketen en zorgketen samenkomen voor informatiedeling en afstemming. Vijf factoren blijken van belang voor effectieve netwerksamenwerking: de bestaansduur, stabiliteit, samenwerkingsstructuur, beschikbaarheid van middelen en aansturingsvorm.

Meer weten?

Lees het volledige rapport opgesteld als antwoord op deze vraag, inclusief geraadpleegde bronnen.

Deze vraag is overgenomen van de Kennisrotonde, het online loket voor de beantwoording van actuele kennisvragen uit en over het onderwijs.

Dit antwoord is tot stand gekomen met dank aan Sjerp van der Ploeg

In Gesprek

Snel kennisnemen van wetenschappelijk onderzoek dat relevant is voor jouw onderwijs? Stel dan je vraag aan de Kennisrotonde!

Leraar24 helpt je graag met kennis over onderzoek en onderwijs in de praktijk.

In Gesprek

Snel kennisnemen van wetenschappelijk onderzoek dat relevant is voor jouw onderwijs? Stel dan je vraag aan de Kennisrotonde!

Leraar24 helpt je graag met kennis over onderzoek en onderwijs in de praktijk.