onderzoek
mbo
po
so
vo

Partnerschap ouders-school: praktijk

De praktijk van partnerschap tussen school en ouders laat een divers beeld zien, zowel binnen de verschillende sectoren als – en nog sterker – over de sectoren heen. Over de hele linie is het (pre)primair onderwijs het verst gevorderd met het realiseren van partnerschap. Zo zijn er behoorlijke verschillen in de mate waarin ouders zich welkom voelen tussen primair en voortgezet onderwijs (Smit, Wester & Van Kuijk, 2012b).

Er is in de loop van de tijd vooruitgang geboekt, maar de ontwikkeling van de relatie tussen ouders en school wordt nog sterk op zijn beloop gelaten. Tegelijkertijd: scholen die er proactief aan werken, merken het positieve effect ervan (Klaassen, 2008). Met name op het gebied van de pedagogische afstemming valt nog veel winst te boeken (Smit e.a., 2006).

Wat weten we?

Sinds een aantal jaren worden ontwikkelingen in de relatie tussen ouders en school via monitoronderzoek in beeld gebracht (Kans, Lubberman & Van der Vegt, 2009). Recent heeft het SCP zowel de praktijk van samenwerking en contact tussen ouders en school als de opvattingen van ouders en school in PO, VO en MBO in kaart gebracht (Herweijer & Vogels, 2013).

Sinds kort zet het beleid van de overheid stevig in op het realiseren van partnerschap tussen ouders en school, tot en met het MBO, en in de lerarenopleidingen. Waar Herweijer & Vogels (2013) nog constateren dat professionals in VO en MBO een grotere afstand tussen ouders en school wenselijk vinden, zien we geleidelijk aan ook daar de ontwikkeling richting partnerschap. Waar eerder bijvoorbeeld het bereiken van de leeftijd van 18 jaar een obstakel leek om ouders te betrekken, zien MBO’s mogelijkheden om ook daarna de ouders nog betrokken te houden (Van Esch e.a., 2011Van der Molen, 2009; Reitsma e.a., 2013).

Opzien tegen gesprekken met ouders is in het onderwijs geen ongewone zaak (Blankestijn, 2013). Dat vraagt oog voor de voorwaarden waaronder partnerschap kan ontstaan. Leraren kunnen bijdragen aan de betrokkenheid van ouders en partnerschap tussen ouders en school mits aan een aantal condities is voldaan. Bakker e.a. (2013) wijzen op het belang van een positieve en onbevooroordeelde houding tegenover de betrokkenheid van alle ouders bij school en bij het kind thuis, niet te vlug oordelen over ouders en hun betrokkenheid, het willen begrijpen van de thuiscultuur van leerlingen, het zorgen voor een open en transparante communicatie, het creëren van helderheid over verwachtingen en het streven naar constructieve afstemming in de begeleiding van kinderen. Van belang is verder het kunnen geven van praktische tips en het stellen van gerichte vragen ter ondersteuning van het kind. Belangrijk zijn verder het goed kunnen voeren van (formele en informele) gesprekken over de ontwikkeling en het leren van kinderen en over de manier waarop die processen ook thuis te bevorderen zijn. Vaardigheden op het gebied van interculturele communicatie horen tot de standaardbagage van leraren. Het opdoen van ervaringen met instrumenten als het huisbezoek en kunnen reflecteren op praktijkervaringen die leraren opdoen, horen daar ook bij.

Menheere & Hooge (2010a) stellen vast dat zowel initiële opleiding als nascholing van leraren in het algemeen tekort schieten. Twee jaar later stellen Smit, Wester & Van Kuijk (2012a) vast dat leraren niet altijd voldoende toegerust zijn, met name niet in relatie tot lager opgeleide ouders. Ofschoon duidelijk ontwikkelingen ten positieve te zien zijn, is hier nog een wereld te winnen (Maas & Stroetinga, 2013

).

Verschillende ontwikkelingen waar veel scholen mee te maken hebben (taalontwikkeling, handelingsgericht werken, het werken met een ontwikkelingsperspectief, loopbaanoriëntatie en –begeleiding (LOB)) bieden aanknopingsmogelijkheden voor het versterken van de betrokkenheid van ouders c.q. het partnerschap tussen ouders en school. Zie Partners bij ontwikkeling en leren op school.

Dat betekent voor de praktijk

Goede praktijken kunnen fungeren als inspiratiebron, als spiegel, als bron van nieuwe kennis en inzichten, en als etalage voor nieuwe middelen en werkwijzen. Goede praktijken kunnen een belang hebben voor scholen en ouders buiten de eigen sector. Met andere woorden, ook over de eigen sector heen valt van andere scholen te leren. Goede praktijken zijn niet bedoeld om gedachteloos zaken uit over te nemen, maar als aanleiding om na te denken wat die ervaringen, inzichten en aanpakken elders kunnen betekenen voor de eigen situatie. Toepassing van inzichten van elders vraagt altijd maatwerk! Zie de blog ‘Met zo’n zak geld kan ik ouders ook meer betrekken bij de school’.

De uitgangspunten van partnerschap en de daarvoor geldende doelen en uitgangspunten zijn voor alle sectoren niet wezenlijk anders. Zoals de goede praktijken laten zien, vraagt de specifieke vormgeving van partnerschap wel om een sector-specifieke invulling. Niet op de laatste plaats vanwege de groeiende eigen verantwoordelijkheid van leerlingen en de toename van hun mede-regievermogen.

Goede praktijken primair onderwijs

Goede praktijken speciaal (basis)onderwijs en voortgezet speciaal onderwijs

Goede praktijken voortgezet onderwijs Nummer 7 heeft een algemeen karakter: Betrokkenheid en participatie van ouders in het voortgezet onderwijs. Een mozaïek. In dit voorbeeld zijn ervaringen en goede praktijken van een aantal scholen verwerkt. Goede praktijken middelbaar beroepsonderwijs De nummers 4 en 6 hebben een algemeen karakter. Nummer 4 focust op de betrokkenheid van ouders bij beroepsoriëntatie en loopbaanbegeleiding in het mbo. Daarvoor is vaak nog een kanteling in het denken nodig. De door professionals, ouders en studenten zelf vaak gedeelde opvatting dat de mbo-leerling – gezien zijn leeftijd en ontwikkelingsfase – geacht kan worden zelfstandig verantwoordelijkheid te nemen voor zijn of haar schoolloopbaan, gaat niet altijd op. In de praktijk kunnen nog lang niet alle mbo-leerlingen deze verantwoordelijkheid ook waar maken. Zonder de steun van hun sociale omgeving is risico op voortijdige uitval groter dan mét die steun. Maar ook leerlingen die dat risico nauwelijks lopen, kunnen profijt hebben van die steun.

Nummer 6 heeft als invalshoek de rol van de student naar ouders en school in het MBO. Steeds meer ROC’s zien het belang van het betrekken van ouders bij de opleiding van studenten. Een krachtige manier om zowel de ouders meer te betrekken als recht te doen aan de groeiende zelfstandigheid van de studenten is om de studenten zelf een expliciete rol te geven in de relatie tussen school en thuis.

Auteur(s)
Smit, F., M. Wester & J. van Kuijk
Jaar
2012

Auteur(s)
Klaassen, C.
Jaar
2008

Auteur(s)
Smit, F., Sluiter, R. & Driessen, G.
Jaar
2006

Beschrijving
Eerste meting onder scholen en ouders.
Auteur(s)
Kans, K., J. K. Lubberman & A.L. van der Vegt
Jaar
2009

Beschrijving
Tweede meting.
Auteur(s)
Bruin, G. de, J. van de Linden, A. van de Vegt & R. van der Aa
Jaar
2012

Auteur(s)
Herweijer, L. & R. Vogels m.m.v. I. Andriessen
Jaar
2013

Auteur(s)
Esch, W. van, R. Petit & F. Smit
Jaar
2011

Auteur(s)
Molen, H. van der
Jaar
2009

Auteur(s)
Reitsma, M., C. de Wit, L. van Lieverloo & M. Vogels
Jaar
2013

Auteur(s)
Bakker, J., E. Denessen, M. Dennissen & H. Oolbekkink-Marchand
Jaar
2013

Auteur(s)
Menheere, A. & E. Hooge
Jaar
2010

Auteur(s)
Smit, F., M. Wester & J. van Kuijk
Jaar
2012

Auteur(s)
Maas, J. & M. Stroetinga
Jaar
2013


E-mailadres wordt niet gepubliceerd. Hiermee kunnen wij reageren op je bericht.