Leraar met onderzoekservaring beter in staat om profielwerkstuk te begeleiden

KNOW | bijgewerkt op 30 januari 2014

Het profielwerkstuk is bedoeld om leerlingen te trainen in onderzoeksvaardigheden. Maar wat als je als leraar zelf weinig bekend bent met onderzoeksvaardigheden? Om dit te ondervangen begon samenwerkingsverband ROSRijnland op verschillende van zijn scholen een pilot waarbij leraren zelf onderzoek leerden te doen. De veronderstelling was dat leraren die zelf ervaring hebben met het uitvoeren van onderzoek beter in staat zullen zijn om profielwerkstukken te begeleiden. Onderzocht is de invloed van deze pilot op de begeleiding en op de uiteindelijke kwaliteit van de profielwerkstukken.
een leraar onderzoekt met twee scholieren het hout van een afgezaagde stam

Binnen verschillende instellingen van ROSRijnland is in het kader van de SLOA-regeling onderzoek gedaan naar de invloed van onderzoeksvaardigheden van leraren op de kwaliteit van het profielwerkstuk. Het onderzoek richtte zich op:

  • de onderzoeksvaardigheden en –houding van leraren en leerlingen,
  • het begeleidingsproces van profielwerkstukken, en
  • de structurele en culturele condities.

Op de verschillende deelnemende scholen binnen ROSRijnland zijn teams van leraar-onderzoekers samengesteld.

Onderzoek naar onderzoekende houding leraren

Om de onderzoeksvaardigheden van docenten te verbeteren heeft lerarenopleiding en scholingscentrum Iclon (Leiden) een training onderzoeksvaardigheden voor leraren ontwikkeld. Alle teams van leraar-onderzoekers hebben deze training gevolgd.

Uit de resultaten van de vragenlijst Onderzoekende houding en onderzoekscultuur van Zwart, Meirink en Van Veen (2012) is gebleken dat na de training geen grotere waardering is gegeven aan de mate waarin onderzoek leeft binnen de school. Opvallend is dat alle leraren de relevantie van onderzoek voor de onderwijspraktijk onderschrijven en dat onderzoeksdocenten nog steeds hoger scoren op houding tegenover onderzoek. Maar zij geven ook aan dat de onderzoekscultuur op hun scholen nog verbeterd moet worden.

Onderzoek doen in het vo heeft meerwaarde

Centraal binnen het onderzoek stond de kwaliteit van de profielwerkstukken. Door vragenlijsten en interviews is gekeken naar de impact van de onderzoekstraining en het zelf doen van onderzoek door leraren op de begeleiding van de profielwerkstukken. Over de begeleiding waren de leerlingen over het algemeen zeer tevreden. Zij gaven aan dat zij meer onderzoeksvaardigheden hadden ontwikkeld door het profielwerkstuk. Het verschil in begeleiding door een leraar of leraar-onderzoeker was hierop niet van invloed.

Wel hadden de leraar-onderzoekers zélf het idee beter toegerust te zijn op de begeleiding. Zij hadden door hun eigen onderzoek meer affiniteit met de inrichting van het profielwerkstuk. Aandachtspunten bij de begeleiding bleken te liggen in het opstarten van het onderzoek (wat wordt van mij verwacht?) en in het gestructureerd werken.

Het project heeft als belangrijkste opbrengst de bewustwording van de meerwaarde van onderzoek binnen het vo. Het creëren van een onderzoekscultuur blijkt lastig en vergt structurele aanpassingen en acceptatie van schoolleiding en collega’s. Het werken met het profielwerkstuk lijkt hieraan bij te dragen, doordat zowel leerlingen als leraren bezig zijn met onderzoek.

Handreikingen om onderzoek door leraren te bevorderen

Training onderzoeksvaardigheden voor leraren

Ter bevordering van de onderzoekscultuur heeft het Iclon een training ontwikkeld voor leraren. De training richt zich op de versterking van de onderzoeksvaardigheden bij leraren in het vo.

Vragenlijst Onderzoekende houding en onderzoekscultuur

Met de vragenlijst van Zwart, Meirink en Van Veen (2012) kunnen zowel de onderzoeksvaardigheden en –houding van leraren worden onderzocht, als de onderzoekscultuur op een school.

Bij de onderzoekende houding onderscheiden zij vier categorieën:

  1. Geïnformeerd: de onderzoeker weet wat het probleemgebied inhoudt, kan zoeken naar relevante literatuur, kan eigen onderzoeksvragen plaatsen in een breder kader, en kan eigen onderzoek inhoudelijk en methodologisch beoordelen op meerwaarde en beperkingen van de gebruikte methoden en de gevonden resultaten. De onderzoeker begrijpt dat de praktijk invloed heeft op het onderzoeksdesign en omgekeerd, en heeft daarnaast oog voor de ethische aspecten van onderzoek doen.
  2. Intentioneel: de onderzoeker is in staat om op een beargumenteerde wijze beoogde doelen van een project te verbinden met gekozen methoden, dat wil zeggen dat hij of zij kan aangeven waarom verwacht mag worden dat de gekozen methoden tot de beoogde doelen zullen leiden.
  3. ‘Doorgaande ontwikkeling’: de onderzoeker is zich ervan bewust dat bevindingen altijd voorlopig zijn en gekleurd worden door theoretische perspectieven. Elk antwoord levert nieuwe vragen op.
  4. Overdraagbaar: onderzoekers documenteren het eigen onderzoek op zo’n manier dat anderen het kunnen beoordelen zonder dat ze over de schouder van de onderzoeker hebben meegekeken. Ze maken hun werk transparant en daarmee navolgbaar en geloofwaardig voor anderen. De kennis die voortkomt uit de bijdrage van de onderzoeker is zo weergegeven dat deze kan worden gedeeld, dat ervan kan worden geleerd en dat erop kan worden voortgebouwd.

referenties

Leraar24 helpt je graag met kennis over onderzoek en onderwijs in de praktijk.

Leraar24 helpt je graag met kennis over onderzoek en onderwijs in de praktijk.