onderzoek
po
so

Het lerende kind

Welke neurocognitieve processen spelen een rol bij het leren van basisschoolleerlingen? En vooral: hoe zijn die processen te beïnvloeden? Om antwoorden te vinden op deze vragen, zijn in het programma ‘Het lerende kind’ wetenschappelijke experimenten uitgevoerd op het gebied van taal, geletterdheid, rekenen en wetenschap en techniek. Vervolgens zijn de uitkomsten van deze experimenten vertaald naar de onderwijspraktijk en is de toepassing ervan onderzocht.

Het lerende kind is onderdeel van de pijler Leren van het onderzoeksprogramma Hersenen en Cognitie: Maatschappelijke Innovatie in gezondheidszorg, educatie en veiligheid. Doel van het programma was de leerprocessen in de klas te optimaliseren, rekening houdend met individuele verschillen tussen leerlingen. Een aantal van de studies, met name gericht op taal, wordt in dit artikel besproken.

Wat weten we?

Nieuwe woorden leren is een essentieel, maar niet altijd even makkelijk onderdeel van de taalontwikkeling. Onderzoek van Jacqueline de Nooijer laat zien dat het gebruik van gebaren leerlingen kan helpen de betekenis van een nieuw woord beter te leren. Bijvoorbeeld door bij het woord ‘boetseren’ vormende bewegingen met de vingers te maken. Een combinatie van verbale informatie (vertellen wat het woord betekent) en motorische informatie in de vorm van gebaren, biedt een rijkere representatie van het nieuwe woord, waardoor je het beter kunt onthouden.

Het gebruik van gebaren tijdens het leren van woorden, is echter geen wondermiddel. Zo verbetert het leren van abstracte werkwoorden (zoals kniezen, dubben) vaak niet als gebaren worden gebruikt. Daarnaast kan de taalvaardigheid van de leerling het potentieel positieve effect van gebaren beïnvloeden. Het imiteren en zelf maken van de gebaren lijkt basisschoolleerlingen met een lage taalvaardigheid eerder te hinderen. Luisteren naar de betekenis van het woord en tegelijkertijd een gebaar maken, belast hun werkgeheugen te veel. Kinderen met een hoge taalvaardigheid die minder moeite hebben om woorden te leren, lijken wel te kunnen profiteren van de extra informatie die ze uit de gebaren krijgen.

Begrijpend lezen

Er zijn verschillende cognitieve processen betrokken bij begrijpend lezen. Een daarvan is het monitoren van begrip – in de gaten houden of je begrijpt wat je leest. Waarom gaat dat bij sommige kinderen wel goed en bij andere niet? Anne Helder bood in haar onderzoek zwakke en goede begrijpend lezers verschillende verhalen aan, waarbij ze de leestijden van de proefpersonen analyseerde.

In sommige verhaaltjes klopte er iets niet. Zowel zwakke als goede begrijpend lezers stagneerden even bij het lezen van iets wat niet klopt met wat ze eerder in de tekst hadden gelezen. Ze lazen het gedeelte van de tekst waar de fout in stond langzamer. Beide merkten de fout dus wel op tijdens het lezen, maar de zwakke begrijpend lezers hadden de fout niet onthouden. Zij konden na afloop minder goed aangeven of het verhaal wel of niet klopte dan goede begrijpend lezers.

Leren van teksten

Onder welke omstandigheden passen lezers kennis uit eerder gelezen teksten toe wanneer ze een nieuwe tekst over hetzelfde onderwerp lezen? Dat onderzocht Katinka Beker in het onderzoeksproject ‘leren van teksten’. Leerlingen uit groep 6 en 8 kregen twee tekstparen voorgelegd. In de tweede tekst stond iets inconsistents, dat ze konden corrigeren door informatie uit de eerste tekst te gebruiken. Leerlingen, zelfs uit groep 6, blijken dat spontaan te doen zonder dat ze daarop zijn gewezen. Het ging overigens wel om vrij simpele teksten. Of hetzelfde effect optreedt bij complexere verhalen moet worden onderzocht.

Referenties

Dat betekent voor de praktijk

Nieuwe woorden leren is een moeizaam proces: leerlingen moeten woorden stampen, in hun hoofd proppen en vergeten ze vaak weer snel. Als je de hersenen met gebaren ook motorisch activeert bij het leren van concrete woorden, kunnen leerlingen de betekenis beter onthouden. Het beste werkt het als leerlingen de betekenis van het woord horen, het gebaar zien en dit gebaar vlak voor een test imiteren. Het gebaar is dan een soort geheugensteuntje waardoor ze verbale informatie over het woord makkelijker uit hun geheugen ophalen.

Aangezien gebaren gebruiken tijdens de taalles in sommige gevallen kan helpen, maar niet altijd, kunnen leraren deze methodiek afwisselen met de standaard taalles. Zeker wanneer er concrete woorden geleerd moeten worden, kan dit een efficiënte manier zijn om kinderen te laten leren en even lekker te laten bewegen.

Begrijpend lezen

Inzicht in de cognitieve processen die van belang zijn bij begrijpend lezen, zoals het monitoren van begrip, maakt het mogelijk om specifieke interventies te ontwikkelen, zegt Anne Helder. Als je weet wat wel en niet goed gaat, kun je zwakke begrijpend lezers helpen de fout niet alleen te signaleren tijdens het lezen, maar ook te onthouden na het lezen. Wanneer we in kaart kunnen brengen waar zwakke begrijpend lezers precies moeite mee hebben, dan kunnen we die cognitieve processen met ze gaan oefenen. Of ze compenseren met andere cognitieve processen waar ze wel goed in zijn.

Testeffect

Leerlingen houden opgedane kennis beter vast als ze zich hierover (laten) overhoren of de kennis in de praktijk toe te passen. Dit zogenoemde testeffect werd onderzocht door Gesa van de Broek (zie ook het artikel Innovatieve leermiddelen en lesmethoden). De kennis wordt zo opgehaald uit het langetermijngeheugen en er worden nieuwe verbindingen in het brein gelegd. Actieve herhaling van dit proces maakt de verbindingen in de hersenen steeds sterker. Woordjes Frans bijvoorbeeld die je slechts één keer leert, vergeet je. Maar als je ze telkens weer gebruikt, onthoud je ze. Feedback is hierbij overigens erg belangrijk: een leerling moet wel weten of wat hij doet goed is.

Herhaling middels testen verhoogt de activiteit in het beloningscentrum van de hersenen. Het brein krijgt zo een signaal dat de leerstof belangrijk is. Testen werkt ook motiverend.

Referenties

  • Columns van Jacqueline de Nooijer op Kennislink.
  • Van den Broek, G., e.a. Het testeffect en het brein. Didactief – opinie en onderzoek voor het onderwijs, april 2015, 22-23.
  • Van den Broek, G. S. E., Takashima, A., Segers, E., Fernandez, G., & Verhoeven, L. (2013). Neural correlates of testing effects in vocabulary learning. NeuroImage, 78, 94 – 102. (pdf)


E-mailadres wordt niet gepubliceerd. Hiermee kunnen wij reageren op je bericht.