Burgerschapsvorming op school en in de schoolomgeving

KNOW | bijgewerkt op 04 juni 2013

Burgerschapsvorming beperkt zich niet tot de school. Ze biedt ook tal van mogelijkheden om de verbinding te leggen met andere contexten, zoals het gezin en de wijk. Maar het kan ook gaan om andere educatieve, pedagogische en vrijteijdsorganisaties, peer- en vriendschapsverbanden, activiteiten van bedrijven voor de jeugd (bijbaantjes en stages), en om nationaal en zelfs wereldburgerschap. Wat zegt onderzoek over burgerschapsvorming en het belang ervan?

schooldeur met bordje 'stembureau' en knutsels van kinderen

Dit artikel geeft een overzicht van onderzoek, inzichten en handreikingen, waarin min of meer gelijkwaardige aandacht is voor buiten- en binnenschoolse invalshoeken op burgerschapsvorming: als vanuit buitenschools perspectief verbindingen met onderwijs worden gelegd, of omgekeerd als vanuit schoolperspectief relatief veel aandacht is voor de verbinding met buitenschoolse contexten en partners. Het artikel sluit aan op Burgerschapsvorming in school waarin het binnenschoolse perspectief centraal staat.

Over het complexe gebied van ‘burgerschap in school en omgeving’ is tot dusver geen overkoepelend onderzoek gevonden. Er is hier wel enig onderzoek naar bepaalde aspecten verzameld: meting, denkkaders, perspectieven van leerlingen. Onderzoek naar specifieke aanpakken lijkt schaars. Tot dusver gevonden onderzoek wijst op het belang van een gezamenlijke visie op burgerschap van school en partners, en gerichtheid op positieve mogelijkheden van jeugdparticipatie in plaats van (louter) op probleempreventie.

De Vreedzame Wijk

Winter, M. de, Horjus, & B. Dijken, M. W. van (2009) deden onderzoek naar ‘De Vreedzame Wijk’. Dat is een uitbreiding van het programma ‘De Vreedzame school’ (zie Burgerschapsvorming in school / Wat weten we). Scholen, welzijnsorganisaties, kinderdagverblijven, sportfaciliteiten en andere jeugdvoorzieningen in de wijk werken volgens dezelfde pedagogische uitgangspunten aan een positief sociaal klimaat in de wijk, met betrokken inzet van kinderen zelf. Dit gebeurt via diverse kinderactiviteiten, training van kinderen tot wijkmediator en activiteiten van kinderraden. Ook ouders worden in het programma betrokken. De belangrijkste conclusie uit het onderzoek is dat er aan twee voorwaarden voldaan moet zijn, willen kinderen hun ‘vreedzame competenties’ op wijkniveau gaan toepassen:

  1. Zij hebben zich de competenties al voldoende eigen gemaakt in het Vreedzame- Schooltraject.
  2. Tijdens activiteiten in de wijk is voldoende duidelijk en zichtbaar dat men daar werkt volgens de principes van De Vreedzame Wijk.

De belangrijkste kracht van de Vreedzame Wijk ligt in het hanteren van een eenduidige pedagogische visie. Het onderzoek liet zien dat De Vreedzame Wijk het collectieve pedagogische beleid versterkt, maar dat de implementatie nog niet genoeg gevorderd is.

Aanbevelingen voor de toekomstige ontwikkeling en implementatie zijn:

  • investeren in ouders als de primaire opvoeders
  • wijkbrede aanpak waarbij alle relevante partners betrokken worden
  • de Vreedzame methode ook implementeren voor na het twaalfde jaar (bijvoorbeeld in het voortgezet onderwijs)

Met het inzetten van positieve pedagogische principes kunnen de voorwaarden voor het ontwikkelen van een straatcultuur weggenomen worden: zie De Vreedzame Wijk niet alleen als het oplossen van probleemgedrag, maar juist als positieve ontwikkeling van het kind. Kinderen krijgen een stem, kinderen doen er toe en ze leveren een bijdrage aan de gemeenschap doordat ze participeren.

De website bij het programma De Vreedzame Wijk, aansluitend op het programma ‘De Vreedzame school’, biedt achtergrondinformatie, materialen en actuele ontwikkelingen.

De Brede School

Doornenbal, J., Oenen, S. van & Pols, W. (2012) leggen de opdracht van de brede school uit als voorbereiding op de arbeidsmarkt (kwalificatie) en burgerschapsvorming (socialisatie), in combinatie met de ontwikkeling van toekomstontwerpen door het kind zelf; via het opdoen van en reflecteren op ervaringen in school en omgeving. Hierbij gaan onder meer hoofdstukken waarin deze visie wordt uitgewerkt voor ontwikkelingsprocessen c.q. leren in de buurtcontext, kinderopvang, kunst en sport; over samenwerking van school en ouders en interdisciplinair werken met leraren en andere begeleiders.

Studulski, F. & Peterink, S. (2012)
 bundelden artikelen over trends in beleid en praktijk en invullingen (binnen en buiten school) van een aantal onderwerpen waaronder burgerschapsvorming.

Oenen, S. van & Valkestijn, M. (2003)
geven een analyse van ontwikkelingen in onderwijs, welzijnswerk en beider relatie, uitmondend in een concept voor een gezamenlijk streven naar meer ‘levensecht leren’. Bij dit streven is een aantal kernelementen benoemd en uitgewerkt: stimuleren van maatschappelijke participatie, stimuleren van oriëntatie en ontmoeting, stimuleren van specifieke competenties. Dit concept komt onder meer voort uit een zestal casestudies van welzijnswerk in bredeschoolverband, die in het boek illustratief in beeld komen. Ook worden tal van knelpunten en dilemma’s besproken die de betrokkenen uit school en welzijn zelf uit hun praktijkervaring naar voren brachten.

Hoe meet je burgerschap?

Dam, G. ten, Geijsel, F., Reumerman, R. & Ledoux, G. (2010) geven een wetenschappelijke onderbouwing bij de ontwikkeling van een meetinstrument voor burgerschapscompetenties van jongeren in de leeftijd van elf tot zestien jaar. Burgerschapscompetenties zijn gedefinieerd als het vermogen tot adequaat handelen in sociale situaties die zich voordoen in het dagelijkse leven. Uit de literatuur zijn vier sociale taken afgeleid die exemplarisch zijn voor de burgerschapspraktijken van jongeren: democratisch handelen, maatschappelijk verantwoord handelen, omgaan met conflicten en omgaan met verschillen. Per sociale taak is gedefinieerd wat het adequaat kunnen vervullen van die taak veronderstelt aan kennis, attitude, vaardigheid en reflectie.

Burgerschap meten is een instrument om de burgerschapscompetenties en het burgerschapsgedrag van leerlingen in kaart te brengen. Het gaat om competenties bij vier sociale taken die exemplarisch zijn voor burgerschapspraktijken: democratisch handelen, maatschappelijk verantwoord handelen, omgaan met conflicten en omgaan met verschillen.

Klomp, M. (2010) deed onderzoek naar de denkkaders rondom buitenschools leren en burgerschapsvorming in het basis- en voortgezet onderwijs. Verhoging van de leermotivatie vraagt om aandacht voor de leefwereld van leerlingen zelf.

Perspectief van leerlingen op burgerschap

Doel van het onderzoek van Veugelers, W. & Schuitema, J. (2009) was om de perspectieven van leerlingen op burgerschapsvorming zichtbaar te maken, waarbij ook leren in buitenschoolse context aan de orde kwam. In een exploratief kwalitatief onderzoek zijn groepen leerlingen mondeling bevraagd, uit vier scholen (vmbo, havo/vwo) uit Amsterdam en omgeving. Uit de interviews bleek dat het begrip burgerschapsvorming in eerste instantie weinig spontane reactie oproept bij leerlingen. Na doorpraten blijkt dat leerlingen bij burgerschapsvorming in eerste instantie denken aan omgangsvormen (normen, morele waarden en discriminatie) en kennis van de politiek (vooral havo- en vwo- leerlingen noemen dit).

Over de relevantie van burgerschapsvorming zijn leerlingen verdeeld. Ze willen wel graag kennismaken met onbekende werelden buiten school (uitstapjes). Leerlingen zeiden over het algemeen weinig over maatschappelijke organisaties en wat je daarover op school zou moeten leren. Er zijn enkele leerlingen die wel wat willen leren over actiegroepen, zoals bijvoorbeeld Greenpeace. Ook het stimuleren van vrijwilligerswerk vinden sommige leerlingen belangrijk.

Andere leerlingen geven in dit verband aan meer te willen leren over verschillende religies. Ze denken daarbij aan lessen over religie, maar vooral aan het bezoeken van kerken en moskeeën. Een groot deel van de leerlingen (witte scholen en gemengde scholen) geeft aan dat je omgaan met verschillende culturen vanzelf leert en dat de school daar geen extra aandacht aan hoeft te geven. De leerlingen van een school met alleen allochtone leerlingen, vormen een uitzondering; zij willen meer in contact komen met autochtonen.

Pabo-project over burgerschap

‘Grip op burgerschap. Systematisch en doelgericht buitenschools leren’ is een project van de lerarenopleidingen Marnix Academie in Utrecht en Hogeschool Windesheim in Zwolle, met acht basisscholen, in het kader van de subsidieregeling Krachtig Meesterschap (als vervolg op een in 2009 afgerond project ‘Maatschappelijke stage in het basisonderwijs’). Leerlingen doen, begeleid door de basisschool en ingebed in het curriculum, een echte taak, buiten de school, in direct contact met anderen, die van waarde is voor henzelf en voor een ander. De focus ligt niet op politieke participatie of de school als oefengemeenschap, maar op kennismaken met onbekende anderen uit de buurt, oefenen van sociale vaardigheden en leren nadenken over jezelf in de wereld. Het project is tevens bedoeld om zicht te krijgen op hiervoor benodigde leerkrachtcompetenties, en inbeddingsmogelijkheden in het curriculum van de lerarenopleiding. De website informeert in de eerste plaats basisscholen en lerarenopleidingen over de ontwikkeling van het project (formele looptijd 2010-2012), werkwijzen en lesmaterialen, en onderzoeksresultaten na afronding.

Andere publicaties rond burgerschap

Oenen, S. van (2013) schreef een artikel over een van de projecten van het ‘Schoolbuurtwerk’ dat in de Amsterdamse buurt Westerpark al ruim twintig jaar thematische projecten ontwikkelt en uitvoert – onder schooltijd maar grotendeels buiten in de buurt – met leerlingen van alle buurt(basis)scholen. Kinderen leren ‘levensecht’ in en van hun eigen buurt met medewerking van bewoners, bedrijven, kunstenaars, lokale ambtenaren of anderen afhankelijk van het project in kwestie.

Wereldburgerschap is een van de onderdelen van de sinds 2006 verplichte burgerschapseducatie. Je leert het vooral door actief mee te doen – zowel binnen als buiten de school. Met de tentoonstelling ‘De Qi van China’ wilde Tropenmuseum Junior een bijdrage leveren aan de opvoeding van kinderen tot nieuwsgierige, tolerante wereldburgers. Wat is het belang van zo’n tentoonstelling voor het vak wereldoriëntatie? Daarover schreven Drost, H., Leeman, L. & Zandsteeg, T. (2011).

referenties

Leraar24 helpt je graag met kennis over onderzoek en onderwijs in de praktijk.

Leraar24 helpt je graag met kennis over onderzoek en onderwijs in de praktijk.