Downsyndroom in het reguliere onderwijs

lerarenredactie | bijgewerkt op 20 februari 2012

Het syndroom van Down is een aangeboren afwijking die gepaard gaat met een lichte tot ernstige verstandelijke beperking. Kinderen met Downsyndroom ontwikkelen zich langzamer, zowel verstandelijk als lichamelijk. Maar er is een grote variatie mogelijk. Naast aanleg zijn de mogelijkheden die een kind krijgt essentieel bij de ontwikkeling. Als het kind naar het reguliere onderwijs gaat, is het belangrijk dat ouders, leraren, RT’ers en andere betrokkenen hiervoor openstaan en goed samenwerken.

In Nederland zijn jaarlijks zo’n 2400 kinderen met Downsyndroom leerplichtig. Succesfactoren voor een goede integratie van deze kinderen in het reguliere onderwijs:

  • Een goede samenwerking en vertrouwensrelatie tussen ouders, groepsleraren, remedial teachers en andere betrokkenen.
  • Emotioneel sterke ouders die erin geloven dat integratie mogelijk is.
  • Leraren die open staan voor het omgaan met verschillen en het als een positieve uitdaging zien om het kind met Downsyndroom aan de slag te gaan.
  • Scholen kunnen de extra begeleiding van een leerling met Downsyndroom financieren uit de leerlinggebonden financiering en het persoonsgebonden budget.

Kinderen met Downsyndroom hebben meestal een minder goede werkhouding. Wissel daarom moeilijke en makkelijke taken af, integreer een ´saaie´ taak in een activiteit die het kind aanspreekt, stel een beloningssysteem in, creëer enige keuzevrijheid, stel duidelijke eisen, biedt meer hulp bij moeilijke taken en prijs het kind uitdrukkelijk voor goed werkgedrag. Een duidelijk overzicht van een dagtaak kan ook helpen.

De spraak/taalontwikkeling blijft bij kinderen met Downsyndroom vaak achter. Toch is het belangrijk om spraak te ‘eisen’. Laat het kind veel dingen systematisch benoemen en ondersteun spraak visueel met bijvoorbeeld gebaren en/of plaatjes. Gebruik korte zinnen, gun het kind de tijd om de zinnen te verwerken en te reageren. Ook kan je spraakproblemen soms omzeilen door een kind aan te laten wijzen in plaats van te praten. De spraakontwikkeling loopt vaak achter bij het taalbegrip. Ga bij het inschatten van wat het kind begrijpt dus niet uit van hoe het praat.

Een kind met Downsyndroom heeft het meeste baat bij een zo groot mogelijke participatie in het ‘normale’ programma van de klas. Het leidt tot meer gedeelde ervaringen en dit draagt bij aan de mate waarin het kind door zichzelf en door klasgenoten als lid van de groep wordt gezien. Als het nodig is, kan het kind ondersteund worden door bijvoorbeeld de eisen aan te passen, het kind één-op-één voor te bereiden en tijdens de activiteit extra begeleiding in te zetten. Biedt meerdere malen per week korte begeleidingsmomenten aan in plaats van alles op één dag.


Tips voor docenten:

  • Laat het kind zoveel mogelijk gewoon meedoen in de groep.
  • Geef de leerling dezelfde schoolspullen: het geeft de leerling zelfvertrouwen wanneer dezelfde boeken worden gebruikt.
  • Verander het leerdoel: de leerling zal niet Frans leren spreken maar maakt kennis met Frans.
  • Probeer geen uitzondering te maken voor wat betreft afspraken: te laat komen mag niemand.
  • De school zou een coach kunnen aanstellen die leerkracht en leerling advies begeleidt bij de samenwerking.
  • De werkhouding van kinderen met Down is meestal minder. Wissel daarom moeilijke en makkelijke taken af of creëer keuzevrijheid. Prijs het kind uitdrukkelijk voor goed werkgedrag. Biedt meerdere malen per week korte begeleidingsmomenten aan. Een kind met Downsyndroom heeft het meeste baat bij een zo groot mogelijke participatie in het ‘normale’ programma van de klas: dat leidt tot meer gedeelde ervaringen, waardoor het kind door klasgenoten als lid van de klas wordt gezien en de sociale vaardigheden worden bevorderd. Een duidelijk overzicht van dagtaken kan ook helpen


Meer over Downsyndroom op Leraar24:

Bijlagen

Leraar24 helpt je graag met kennis over onderzoek en onderwijs in de praktijk.

Leraar24 helpt je graag met kennis over onderzoek en onderwijs in de praktijk.