Genderstereotypering in het onderwijs

Kennisrotonde | 09 maart 2017

Wat is bekend over genderstereotypering in het onderwijs en de invloed daarvan op de ontwikkeling van jongens en meisjes?

Wat weten we?

Verschillen in cognitieve prestaties tussen jongens en meisjes zijn klein en wisselend. Wel is de schoolloopbaan van meisjes iets gunstiger. Er zijn onderzoeken die erop wijzen dat jongens en meisjes anders behandeld worden in de klas. Maar een directe relatie tussen het gedrag van de leraar en prestaties van leerlingen lijkt te ontbreken.

Jongens en meiden hebben hetzelfde cognitieve vermogen en beiden presteren beter dan dertig jaar geleden. In het primair onderwijs en de eerste vier jaar van het voorgezet onderwijs zijn de verschillen in cognitieve prestaties tussen jongens en meisjes heel erg klein en wisselend.

Wat betreft niet–cognitieve vaardigheden zien we dat meisjes in de hoogste groepen van het primair onderwijs een betere werkhouding hebben dan jongens en dat ook hun sociale gedrag sterker is. Deze grotere inzet van meisjes draagt sterk bij aan hun prestaties.

De schoolloopbaan van jongens is in een aantal opzichten minder gunstig dan die van meisjes. In het voortgezet onderwijs doubleren jongens vaker, stromen vaker af en vallen vaker uit.

Invloed van leraren

Verschillende onderzoeken wijzen erop dat jongens en meisjes in de klas anders worden behandeld. Leraren zouden (onbewust) andere verwachtingen hebben over hun prestaties en gedrag. Een OECD-studie laat zien dat leraren het gedrag van meisjes belonen door hen hogere cijfers te geven. Meisjes gedragen zich gedisciplineerder, hebben betere zelfregulatie vaardigheden en zijn gemotiveerder om goede prestaties te halen. Jongens zijn minder sterk in zelfregulatie en het gedrag dat zij laten zien ondermijnt vervolgens hun prestaties. Tegelijkertijd geldt ook dat meiden hogere cijfers halen voor talige vakken omdat leraren verwachten dat ze hier goed in zijn. Andersom verwachten leraren dat jongens beter zijn in vakken als wiskunde of rekenen.

Maar er zijn ook studies waaruit blijkt dat leraren jongens niet anders beoordelen dan meisjes. Ook de feminisering van het onderwijs, die vaak als onwenselijk wordt gezien, heeft geen invloed op de cognitieve prestaties van leerlingen. Op scholen waar jongens het goed doen, is geen beleid specifiek gericht op jongens of op de verschillen tussen jongens en meisjes. Deze scholen bieden álle leerlingen een duidelijke structuur, individuele aandacht en goede begeleiding, en ze stimuleren ieders motivatie. Juist ruimte voor eigen keuze, initiatief en competitie, zogenaamde ‘jongenskenmerken’, sluiten bij zowel jongens als meisjes goed aan. Er is ook geen bewijs voor de toegevoegde waarde van mannelijke leerkrachten voor jongens. Kwaliteiten van leraren als vakinhoudelijke kennis, grenzen stellen, hoge verwachtingen hebben en goede prestaties belonen zijn belangrijker.

Verschillen nader onderzocht

Meerdere onderzoeken wijzen op andere verklaringen voor verschillen tussen jongens en meiden in leerresultaten en schoolloopbanen, waaronder attitudekenmerken, de rol van ouders en het algemene schoolbeleid.

Zelfvertrouwen wordt in verband gebracht met de prestaties van meisjes bij wiskunde of natuurwetenschap. Meisjes lijken bang te zijn om fouten te maken en hebben, in vergelijking met jongens, minder vertrouwen in hun eigen vaardigheden om wiskundige problemen op te lossen.

Daarnaast spelen ouders een rol: zij hebben verschillende verwachtingen wat betreft studie en werk voor hun zonen en dochters. Ouders pushen een zoon eerder richting een carrière in de techniek en zijn geneigd hun dochters te stimuleren ijverig te zijn terwijl ze zonen stimuleren stoer te zijn. Leerlingen kiezen, bij vergelijkbare prestaties, eerder een exact profiel wanneer ouders en/of school hen dit sterker aanraden, en omgekeerd.

Verder speelt schoolbeleid een rol in de profielkeuze van leerlingen. Wanneer scholen de keuzevrijheid minimaliseren (‘wie het vak kan volgen, moet het volgen’) leidt dat tot meer sekseneutrale keuzes dan wanneer scholen de individuele voorkeur van leerlingen vooropstellen.

Verwachtingen

Als er al sprake is van stereotypering in het onderwijs dan is dat overwegend onbewust, en dat maakt het lastig hier verandering in aan te brengen. Daarbij worden kinderen ook in de maatschappij blootgesteld aan verschillende verwachtingen over gedrag van mannen en vrouwen. Algemeen wordt dan ook gepleit voor gemengde teams op scholen. Leerlingen hebben verschillende rolmodellen nodig en gemengde teams werken kwalitatief beter. De ontwikkeling van een onderwijsaanpak gericht op het individu zou centraal moeten staan.

Meer weten?

Lees het volledige rapport opgesteld als antwoord op deze vraag, inclusief geraadpleegde bronnen.

Deze website biedt aanvullende informatie:

Dit antwoord is tot stand gekomen met dank aan Femke Timmermans. Zij heeft hiertoe Gerda Geerdink (HAN) geconsulteerd.

Deze vraag is overgenomen van de Kennisrotonde, het online loket voor de beantwoording van actuele kennisvragen uit en over het onderwijs.

In Gesprek

Deze vraag is beantwoord door de Kennisrotonde, het online loket voor de beantwoording van kennisvragen uit en over het onderwijs

Leraar24 helpt je graag met kennis over onderzoek en onderwijs in de praktijk.

In Gesprek

Deze vraag is beantwoord door de Kennisrotonde, het online loket voor de beantwoording van kennisvragen uit en over het onderwijs

Leraar24 helpt je graag met kennis over onderzoek en onderwijs in de praktijk.