Kwaliteiten van excellente studenten

NRO | 06 september 2017

Studenten die graag de beste willen zijn en veel doorzettingsvermogen hebben, halen de hoogste cijfers. Dat zijn niet per definitie de studenten die het meest innovatief of creatief zijn.

Dat blijkt uit het promotieonderzoek van Ada Kool (Universiteit Utrecht) naar excellentie in het hoger onderwijs. Dat onderzoek is actueel, nu er veel speciale excellentieprogramma’s worden ontwikkeld om goede, gemotiveerde studenten extra uit te dagen en te ondersteunen. Kool zocht uit welke kwaliteiten iemand tot een succesvolle student maken. De resultaten kunnen ook van toepassing zijn op het vo en mbo.

Wat is succesvol?

Het onderzoek sluit aan bij het wetenschappelijk debat naar wat ‘succesvol zijn’ inhoudt voor studenten. Grofweg is een onderscheid te maken tussen studies die kijken welke studenten de hoogste cijfers halen (Ericsson, Krämpe & Tesch-Römer, 1993) en studies die uitgaan van kwaliteiten die later nodig zijn om succesvol te worden in je werk (Mönks & Katzko, 2005). Eerder onderzoek toont aan dat succesvolle werknemers hoog scoren op motivatie en creativiteit én dat zij bovengemiddeld intelligent zijn (Renzulli, 1978).

Kool nam in haar promotieonderzoek kwaliteiten van beide typen studies mee. Ze bekeek daarbij:

1) hoe deze kwaliteiten samenhangen met cijfers;

2) in hoeverre kwaliteiten van studenten stabiel of veranderbaar zijn door de tijd heen;

3) of bepaalde kwaliteiten een ander effect hebben bij relatief goede studenten dan bij relatief zwakke studenten.

Doorzettingsvermogen

Uit de studie komt naar voren dat studenten die veel doorzettingsvermogen hebben en graag de beste willen zijn de hoogste cijfers halen (Kool, 2016). Opvallend is dat innovativiteit/creativiteit niet samenhangt met de hoogte van het cijfer. Hoewel deze kwaliteit als belangrijk wordt gezien in het werkveld, doen studenten met deze kwaliteiten het dus niet beter op de universiteit.

Relatief goede studenten halen veel hogere cijfers als zij meer doorzettingsvermogen laten zien dan relatief zwakkere studenten. Het lijkt er dus op dat goede studenten meer profijt hebben van extra doorzettingsvermogen. De mate waarin studenten scoren op de kwaliteiten uit deze studie blijkt te verschillen tússen studenten, maar ook bij afzonderlijke studenten door de tijd heen. De kwaliteiten blijken dus niet stabiel, maar veranderbaar.

Opener toetsen

De onderzoeksresultaten zijn van betekenis voor de onderwijspraktijk, voor de wijze van toetsen en voor de toelatingsprocedures. Om met het onderwijs te beginnen: leraren kunnen kwaliteiten van studenten en leerlingen ondersteunen en bevorderen, bijvoorbeeld door ze te laten reflecteren op hun leren en door bij het geven van feedback de nadruk te leggen op wat een leerling al heeft bereikt. Hierbij kan extra aandacht worden besteed aan doorzettingsvermogen in excellentieprogramma’s of plusklassen, omdat dit bij deze leerlingen een relatief groot effect heeft op hun cijfers.

Innovativiteit, een kwaliteit die belangrijk is in het werkveld, komt blijkbaar niet voldoende naar voren in de manier waarop studenten getoetst worden. Door opener toetsvormen te gebruiken, zoals onderzoekjes doen of een betoog schrijven, zal innovativiteit meer meetellen in het cijfer en zullen studenten meer gestimuleerd worden deze kwaliteit te ontwikkelen.

Verder maakt het onderzoek duidelijk dat als opleidingen sterk op cijfer selecteren, ze met name studenten binnenhalen die veel doorzettingsvermogen hebben en graag de beste willen zijn. Opleidingen moeten nagaan of dit ook hun doel is en kunnen overwegen extra kwaliteiten, zoals innovativiteit, mee te nemen bij toelating.

Creativiteit onderbelicht

Hoewel het onderzoek is uitgevoerd aan de universiteit, zijn er aanwijzingen dat een aantal bevindingen ook toepasbaar is op het vo en mbo. Cijfers op het vo blijken bijvoorbeeld sterk voorspellend voor cijfers tijdens de studie (Koning & Loyens, 2011), wat erop kan wijzen dat Meer lezen? dezelfde kwaliteiten hier een rol spelen. Ook uit andere onderwijscontexten komt het signaal dat creativiteit onderbelicht raakt in het onderwijs. Voor leraren uit het vo en mbo kan het dus nuttig zijn na te gaan in hoeverre de beschreven praktijkopbrengsten ook daar toepasbaar zijn.

 

Meer lezen?

Ericsson, K. A., Krämpe, R. T., & Tesch-Römer, C. (1993). The role of deliberate practice in the acquisition of expert performance. Psychological review, 100(3), 363.

Koning, B. B. de, & Loyens, S. M. M. (2011). Generation Psy, studentfactoren en studiesucces. Studiesucces in de bachelor. Drie onderzoeken naar factoren die studiesucces in de bachelor verklaren. Den Haag: Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap.

Kool, A. (2016). Excellence in higher education: students’ personal qualities and the effects of honours programmes. (Proefschrift ter verkrijging van de graad van doctor aan de Universiteit Utrecht).

Mönks, F. J. & Katzko, M. W. (2005). Giftedness and Gifted Education. In R. J. Sternberg and J. W. Davidson (Eds.), Conceptions of Giftedness  (p. 187-200). New York, NY: Cambridge University Press.

Renzulli, J. S. (1978). What makes giftedness? Re-examining a definition. Phi Delta Kappan, 60, 180.

Meer weten?

Voor vragen over dit onderzoek kunt u contact opnemen met Ada Kool, trainer & adviseur O&T, verbonden aan de Universiteit Utrecht.

Leraar24 helpt je graag met kennis over onderzoek en onderwijs in de praktijk.

Meer weten?

Voor vragen over dit onderzoek kunt u contact opnemen met Ada Kool, trainer & adviseur O&T, verbonden aan de Universiteit Utrecht.

Leraar24 helpt je graag met kennis over onderzoek en onderwijs in de praktijk.