Mbo-docent een vak apart: opleiding leraar beroepsonderwijs

ecbo | 30 juli 2018

Wie les wil geven op het mbo, heeft andere bagage, andere kwaliteiten nodig dan een aankomend docent op havo of vwo. Daarom hebben tweedegraads lerarenopleidingen een afzonderlijke afstudeerrichting Leraar beroepsonderwijs ontwikkeld. Waarom is een specifieke opleiding nodig? Wat zijn de voordelen van de richting Leraar beroepsonderwijs?
tekening van leraar voor het bord, die in de spiegel kijkt

Op last van de minister van OCW (Ministerie van OCW, 2012) hebben tweedegraads lerarenopleidingen sinds 2013 gewerkt aan een nieuwe, afzonderlijke afstudeerrichting Leraar beroepsonderwijs. Dat is niet uit de lucht komen vallen, want zowel vmbo als mbo voelen in toenemende mate de behoefte aan docenten die effectief in staat zijn vakkennis en didactische kwaliteiten te verbinden met de beroepspraktijk. Daar schortte het regelmatig aan bij de leraren zoals de lerarenopleidingen die tot voor kort afleverden. Met die vakkennis zat en zit het wel goed. Sinds 2008 zijn er voor alle vakken op de lerarenopleidingen kennisbases ontwikkeld: standaarden voor wat een leraar zich aan vakkennis moet eigen maken.

Wat lesgeven op het mbo anders maakt

Maar met vakkennis alleen redt een aankomend mbo-docent het niet. Hij of zij dient ook over passende lerarencompetenties te beschikken (Onderwijscoöperatie 2004, 2014). En daar zit een knelpunt. Want het (v)mbo vraagt een ander soort competenties dan het voortgezet onderwijs. Het begint er mee dat aanstaande docenten in staat moeten zijn om hun vak in te zetten in de context van het beroep waarvoor mbo-studenten worden opgeleid. Dus in plaats van het vak Nederlands: Nederlands voor aankomende zorgprofessionals. Of Engels voor aankomende aannemers, economie voor aankomende accountants.

Die contexten in het mbo lopen sterk uiteen. Opleidingen in de techniek zien er anders uit dan opleidingen in het groen of administratie. Daar komt nog bij dat het mbo specifieke, competentiegerichte leeromgevingen kent. Ook daar zal een aankomend docent mee overweg moeten kunnen. In de kern komt het erop neer dat hij of zij inhoud geeft aan de volgende rollen (Schaap, Baartman en De Bruijn, 2012):

  • Didacticus en pedagoog: het afstemmen van het onderwijs op de verschillende doel- (en beroeps)groepen en niveaus in het mbo, en het selecteren van effectieve werkvormen voor deze groepen (adaptief en gedifferentieerd beroepsonderwijs).
  • Onderwijsontwikkelaar: het maken van een vertaalslag van algemene vakkennis naar kennis gericht op de beroepscompetenties in het mbo.
  • Studieloopbaanbegeleider: het begeleiden van mbo-studenten bij hun loopbaanontwikkeling, met oog voor hun talenten en de eventuele problematiek in de thuissituatie.

Dat gaat niet vanzelf. De aankomend mbo-docent moet in zijn opleiding vertrouwd worden gemaakt met die rollen. Het gros van de opleiders op de lerarenopleidingen heeft echter nauwelijks ervaring met het lesgeven in het mbo. Daardoor kunnen ze weinig goede, zelf doorleefde praktijkvoorbeelden geven. En dat maakt het lastig voor hen om studenten te ondersteunen bij het verbinden van de theorie met specifieke beroepspraktijken.

Een eigen afstudeerrichting

De nieuwe, ‘eigen’ afstudeerrichting voor mbo-docenten moet hier verandering in brengen. Centraal staat het verbinden van vakinhoud en beroepscontext. Dit is essentieel voor mbo-docenten. Maar ook moet de docent in opleiding in staat zijn om de kwalificaties uit het kwalificatiedossier – ook die van het onderdeel Loopbaan en Burgerschap – terug te laten komen in het onderwijs en zelf lesmateriaal aan te passen of te ontwikkelen. Verder moet hij uitleg kunnen geven op meerdere manieren die passen bij de context van het toekomstige beroep van de mbo-student, heldere instructies voor opdrachten geven, toetsen of de doelen van het onderwijs bereikt zijn, en aandacht voor verschillen tussen leerlingen in leeftijd, leervoorkeuren, motivatie en niveau hebben (entree t/m niveau 4).

Mbo-studenten zijn gemiddeld ouder dan leerlingen in het voortgezet onderwijs. Zij zijn sociaal verder in hun ontwikkeling, assertiever en hebben een kritischer houding. Daardoor hebben zij meer behoefte aan autonomie. Aan de docent om handvatten aan te reiken voor zelfsturing. Niet zo gemakkelijk, in zijn opleiding zal hij daar goed op voorbereid moeten worden. Door training in agogische vaardigheden zoals motiverende gespreksvoering, en door te leren omgaan met het puberbrein, drijfveren, leervoorkeuren en motivatiestijlen. Belangrijk is ook het omgaan met groepsdynamica. En in de grootstedelijke context komt daar nog kennis van en kunnen omgaan met straatcultuur bij (El Hadioui, 2010).

Dit alles samen maakt het werken in het mbo complex en vraagt, zoals ervaringsdeskundigen het formuleren, om een hoge handelingssnelheid van de docent. Uitgangspunt bij de vormgeving van de nieuwe afstudeerrichting is daarom dat lerarenopleidingen gestructureerd samenwerken met het mbo. Op die manier kunnen specifieke kenmerken van de mbo-context goed tot hun recht komen. Zeker is dat partners veel van elkaar kunnen leren en elkaar potentieel veel te bieden hebben.

Samen opleiden: de inrichting van een werkplekcurriculum

Hoe ziet de samenwerking tussen lerarenopleidingen en mbo-instellingen binnen de nieuwe afstudeerrichting eruit? De basis vormt een werkplekcurriculum, dat geheel op de werkplek plaatsvindt. Het maakt 40% deel uit van het totale curriculum. Ter vergelijking: in de reguliere lerarenopleiding ligt dat percentage op 20%. Lerarenopleiding en mbo-instelling verzorgen dit werkplekcurriculum samen. Dat gebeurt in zogenaamde opleidingsscholen, samenwerkingsverbanden van lerarenopleidingen met mbo-scholen. Onveranderd daarbij blijft dat de lerarenopleiding uiteindelijk verantwoordelijk is voor de afgifte van het diploma.

Om de inrichting van opleidingsscholen in het mbo te ondersteunen, heeft de MBO-Raad het Kennispunt Opleiden in de School ingericht. Inmiddels telt Nederland twee geaccrediteerde opleidingsscholen specifiek gericht op het mbo en één gericht op mbo én vo (Berndsen, Poulussen-Hoogeboom en Timmermans, 2013). Geaccrediteerde opleidingsscholen voor primair en voortgezet onderwijs zijn er aanzienlijk meer: 52 (Beoordelingskader opleidingsscholen NVAO, 2013).

Binnen een opleidingsschool krijgt de aankomende docent te maken met een instituutsopleider, schoolopleider en werkplekbegeleider. De schoolopleider stuurt de werkplekbegeleiders aan, onderhoudt het contact met de lerarenopleiding, belegt groepsbijeenkomsten voor studenten en is betrokken bij de beoordeling van de aanstaande leraren. Hij is de spin in het web die ook toeziet op het mbo-gehalte van de opleiding.

Groepsbijeenkomsten vormen een essentieel onderdeel van het werkplekcurriculum. Het is een krachtig middel, zo leert de ervaring, om de opleiding van aankomende leraren betekenisvol en praktijkgericht te maken. Vaak is intervisie een vast onderdeel van dergelijke groepsbijeenkomsten, maar er kunnen ook delen van het curriculum van de lerarenopleiding aan bod komen. Met de ‘couleur locale’ van het mbo kunnen die dan contextspecifiek gemaakt worden. Denk bijvoorbeeld aan modules als Effectief leren, Lesgeven in de grootstedelijke context of Praktijkonderzoek. Aankomende docenten kunnen meteen aan de slag met het geleerde. Immers, de mbo-studenten over wie zojuist gesproken is, lopen gewoon rond op de opleidingslocatie. De theorie komt zo direct tot leven.

Begeleiden van aanstaande leraren voor het mbo

De begeleiding door de werkplekbegeleider hangt sterk af van de fase van de opleiding waarin de aanstaande mbo-docent zich bevindt. In het begin gaat het om vragen als: ben ik iemand voor het onderwijs en is het onderwijs iets voor mij? Is de keuze voor het onderwijs eenmaal gemaakt, dan verschuiven de vragen naar: ben ik iemand voor het mbo en is het mbo iets voor mij? Het leerproces wordt in deze fase van de opleiding gestuurd vanuit opdrachten, bijvoorbeeld in de vorm van leerwerktaken. Waarbij de begeleiding zich richt op het voorbereiden en uitvoeren van lessen, het variëren in werkvormen, en het sturen van het reflectieproces op hun eigen functioneren: wat ging er goed, wat kan volgende les beter? (Korthagen, Koster, Melief en Tigchelaar, 2009). De werkplekbegeleider assisteert consequent bij het vertalen van de leerwerktaak naar de specifieke context van het mbo.

Ouderejaars studenten krijgen op de opleidingsscholen meer ruimte om hun eigen leerproces te sturen. Dat gebeurt aan de hand van de eigen leervragen. Ook voeren zij praktijkonderzoek uit. De begeleider zal in deze fase een meer coachende rol vervullen. Ook zal de begeleiding zich nog sterker toespitsen op kwaliteiten die leraren in het mbo nodig hebben: het ontwerpen van beroepsgericht vaardighedenonderwijs, het ontwikkelen van eigen lesmateriaal, en het verzorgen van stage- en studieloopbaanbegeleiding. De begeleiding van de reflectie van de studenten richt zich nu meer op visieontwikkeling: wat voor leraar wil ik zijn, hoe ver sta ik daarvan af, wat moet ik nog doen om daar te komen? Ook gaat het om de link tussen praktijk en theorie. Mbo-docenten moet in staat zijn om de praktijk met de theorie te verbinden. En ook om praktijkonderzoek te verrichten (Martens, 2010). Op die manier kunnen zij zich, ook na afstuderen, verder professionaliseren in hun vak en beroep.

Beoordelen: veld- en instituutsassessoren

Studenten van de lerarenopleiding lopen elk jaar stage. Elke stageperiode wordt afgesloten met een assessment (Elshout-Mohr, Oostdam, Dietze en Snoek, 2001), waarin assessoren beoordelen of de student voldoet aan de relevante bekwaamheidseisen. De assessments in de hogere leerjaren worden afgenomen door onafhankelijke, getrainde assessoren, wat wil zeggen dat ze geen rol hebben in de begeleiding van de student.

De assessoren functioneren in tweetallen: een veldassessor en een instituutsassessor. In de afstudeerrichting Leraar beroepsonderwijs komt de veldassessor uit het mbo. Meer dan de instituutsassessor kent deze de mbo-context. De beide beoordelaars bereiden het assessment voor op basis van het portfolio van de student. Het samenstellen van portfolio’s is een gangbare manier van toetsing bij competentiegericht onderwijs (Van Tartwijk, Tigelaar, Veldman en Janssen, 2008). Bij sommige assessments is sprake van een lesobservatie, bij andere assessments is alleen sprake van een criterium-gericht interview op basis van de beoordeling van het portfolio. In het portfolio reflecteren aankomende docenten op hun stage-ervaringen, koppelen deze aan theorie en aan hun eigen visie op onderwijs, en onderbouwen hun inschatting van de bereikte bekwaamheid met bewijslast, zoals lesvoorbereidingen, feedback van de werkplekbegeleider en studenten, en filmfragmenten.

Doorlopende professionalisering in het mbo

Opleidingsscholen bieden een uitstekend vertrekpunt voor doorlopende professionalisering van mbo-docenten. Eenmaal in bezit van het diploma, starten deze in hun eerste baan als leraar. Uit onderzoek (Helms-Lorenz, Van de Grift en Maulana, 2016) is gebleken dat leraren die een zogenaamd inductietraject krijgen aangeboden, zich sneller ontwikkelen op het gebied van pedagogisch-didactische vaardigheden en minder snel het beroep verlaten dan startende leraren die – bij wijze van spreken – een sleutel van het lokaal overhandigd krijgen met een duim omhoog: ‘succes!’.

Een inductietraject omvat de eerste drie werkjaren van de startende docent. Er is sprake van: werkdrukvermindering door het takenpakket af te stemmen op de draagkracht van de beginnende leraar; kennismaken met de schoolregels en het schoolbeleid; observaties tijdens lessen en daarbij gerichte coaching; intervisie; en aandacht voor bredere professionele ontwikkeling met behulp van persoonlijke ontwikkelingsplannen. Juist in het mbo, waar de uitval onder startende leraren hoog is (Voion, 2014) en sprake is van een toenemend lerarentekort, is een inductieprogramma een waardevolle investering.

Na het inductietraject getuigt het van goed personeelsbeleid als leraren zich kunnen blijven professionaliseren, zodat ze de context waarin ze functioneren verder kunnen ontwikkelen. Denk daarbij aan leraren die zich specialiseren op het gebied van loopbaanbegeleiding, begeleiding van zorgleerlingen, begeleiden van studenten en nieuwe collega’s, ontwikkeling van het eigen vak in de beroepscontext of ontwikkeling van ict-toepassingen in het onderwijs.

Tot slot

Mbo-docent, een vak apart. Met de nieuwe afstudeerrichting Leraar beroepsonderwijs krijgt de eigenheid van het mbo de erkenning die nodig is om aanstaande docenten effectief voor te bereiden op hun taken in dit onderwijstype. Lerarenopleidingen en mbo-instellingen trekken gezamenlijk op binnen opleidingsscholen, ontwikkelen samen werkplekcurricula en vullen elkaars expertise over en weer aan. Een vruchtbaar idee, dat in staat moet zijn het middelbaar beroepsonderwijs een duurzame kwaliteitsimpuls te geven.

Enkele andere deskundigen

  • Ellen Klatter, lector Versterking Beroepsonderwijs, Hogeschool Rotterdam
  • Bob Koster, lector Werkplekleren, Fontys Hogeschool
  • Jeroen Onstenk, lector Geïntegreerd Pedagogisch Handelen, Hogeschool InHolland

Bronnen

In gesprek

Dit artikel is geschreven door Mariëlle Theunissen, lector Samen Opleiden aan de Hogeschool Rotterdam, en Marja Poulussen, programmaleider Opleidingsschool MBO Rotterdam en Drechtsteden, Hogeschool Rotterdam, voor de Canon beroepsonderwijs.

Leraar24 helpt je graag met kennis over onderzoek en onderwijs in de praktijk.

In gesprek

Dit artikel is geschreven door Mariëlle Theunissen, lector Samen Opleiden aan de Hogeschool Rotterdam, en Marja Poulussen, programmaleider Opleidingsschool MBO Rotterdam en Drechtsteden, Hogeschool Rotterdam, voor de Canon beroepsonderwijs.

Leraar24 helpt je graag met kennis over onderzoek en onderwijs in de praktijk.