Overgang po-vo en vmbo-mbo

NRO | bijgewerkt op 02 januari 2017

Bij ruim dertig procent van de leerlingen komt het onderwijsniveau op de middelbare school niet overeen met het basisschooladvies, blijkt uit onderzoek van de Rijksuniversiteit Groningen. Vooral bij kinderen van lager opgeleide ouders en/of ouders met een niet-westerse achtergrond, en bij jongens is dat het geval. De onderzoekers pleiten ervoor de selectie op niveau nog even uit te stellen. De overstap van het vmbo naar het mbo gaat nog vaker niet goed. Bijna vijftig procent van de studenten breekt zijn studie in de eerste twee jaar van het mbo af.

kinderen met rugzak lopen op schoolplein

Bij 69 procent van de leerlingen komt het onderwijsniveau dat ze in de vierde klas van de middelbare school volgen overeen met het advies van de basisschool. “Dat lijkt veel”, zegt Marie-Christine Opdenakker, een van de onderzoekers. “Maar bij ruim dertig procent is er dus een mismatch.” Uiteindelijk zit negentien procent van de leerlingen in de vierde klas van het voortgezet onderwijs in een lager onderwijstype dan het basisschool-advies. Dertien procent zit in een hoger onderwijstype dan geadviseerd. In totaal is een op de acht leerlingen een keer blijven zitten in de eerste drie leerjaren. “Dat geeft aan hoe moeilijk het is om een goed schooladvies te geven op basisschoolleeftijd.” Sommige leerlingen hebben gewoon meer tijd nodig.

Brede brugklassen beter voor laatbloeiers

Dat geldt vooral voor leerlingen die meer risico lopen dat de overgang van het basis- naar het voortgezet onderwijs niet zo goed verloopt. Zoals kinderen van lager opgeleide ouders of met een niet-westerse achtergrond, jongens en leerlingen die niet goed presteren op methode-onafhankelijke toetsen begrijpend lezen en rekenen, zoals Cito. Vooral voor leerlingen die om wat voor reden dan ook niet optimaal presteren op de basisschool (‘laatbloeiers’) is het beter om de schoolniveaukeuze nog even uit te stellen. Dit geeft hen de mogelijkheid om in een schoolniveau terecht te komen dat het beste bij hen past. De onderzoekers pleiten dan ook voor brede brugklassen, dubbele schooladviezen (zoals een havo/vwo-advies in plaats van alleen een havo-advies) en het behoud van overstapmogelijkheden in het voortgezet onderwijs. En scholen moeten risicoleerlingen meer ondersteuning bieden.

Wisselende leraren van invloed op motivatie

Ook blijkt uit het onderzoek dat de overgang naar het voortgezet onderwijs van invloed is op de niet-cognitieve ontwikkeling van leerlingen. In de derde klas van de middelbare school zijn leerlingen minder gemotiveerd, hebben minder zelfvertrouwen en welbevinden dan aan het einde van de basisschool. De puberteit speelt daarbij weliswaar een rol, maar die verklaart niet alles. “Leerlingen hebben in het voortgezet onderwijs een minder goede band met leraren omdat deze per vak wisselen en dat heeft invloed op hun motivatie”, zegt Opdenakker. “Met name competentiemotivatie – ik doe mijn best op school om iets te begrijpen – is een belangrijke voorspeller voor het succes van de schoolloopbaan”, benadrukt ze. Het vergroten van competentiemotivatie verdient dan ook meer aandacht.

Heterogene klassen bevorderen doorstroming

De onderzoekers keken in een simulatie-onderzoek ook naar welke schoolsoorten het beste zijn voor (risico)leerlingen. Leerlingen doen het beter op brede scholengemeenschappen dan op scholen met bijvoorbeeld alleen vwo of vmbo. Meer leerlingen doorlopen de klassen op tijd en minder leerlingen vallen uit. Dat geldt ook voor meerjarige brede brugklassen. Op havo/vwo-scholen is het bijvoorbeeld beter om twee jaar achtereen in een heterogene klas te zitten. Meer leerlingen stromen dan zonder zittenblijven door en meer leerlingen gaan naar het vwo.

Vooral voor jongens en kinderen met lager opgeleide ouders zijn brede scholengemeenschappen gunstiger. Meisjes doen het op zowel brede scholengemeenschappen als categorale scholen goed.

Veel vmbo’ers stoppen op het mbo

In een ander onderzoek werden ruim zevenhonderd studenten van een ROC gevolgd tijdens de overstap en eerste twee jaar binnen het mbo. Binnen twee jaar had 48 procent van de leerlingen zijn studie afgebroken, in alle vier de niveaus van het mbo. Driekwart van hen deed dat al in het eerste jaar. Niet bekend is of deze studenten een andere studie zijn begonnen. Jongens en leerlingen uit gezinnen met een lagere sociaal-economische status breken eerder hun studie af.

Verandering studierichting leidt tot vertraging

De keuze die vmbo-leerlingen maken voor een studie in het mbo is van invloed op hun succes. Leerlingen die in het mbo een andere richting kiezen dan ze in het vmbo hadden lopen eerder vertraging op. Bovendien is de kans groter dat zij voortijdig hun studie afbreken. Ook daalt hun motivatie en welbevinden in het eerste jaar van het mbo. Dat duidt erop dat de opleidingskeuze die ze maakten geen goede was. Een derde van de leerlingen maakt zo’n niet verwachte keuze.

Ook kiest dertien procent van de leerlingen voor een lager niveau in het mbo dan te verwachten is op basis van het niveau dat ze in het vmbo volgden.

Meer informatie

In gesprek

Contactpersoon: Marie-Christine Opdenakker, universitair hoofddocent onderwijskunde aan de Rijksuniversiteit Groningen.

Leraar24 helpt je graag met kennis over onderzoek en onderwijs in de praktijk.

In gesprek

Contactpersoon: Marie-Christine Opdenakker, universitair hoofddocent onderwijskunde aan de Rijksuniversiteit Groningen.

Leraar24 helpt je graag met kennis over onderzoek en onderwijs in de praktijk.