Professionele ontwikkeling van de leraar

KNOW | bijgewerkt op 22 november 2013

De voortdurende professionele ontwikkeling van leraren is een terugkerend onderwerp in de wetenschappelijke literatuur. De wijze waarop professionele ontwikkeling wordt gedefinieerd, verschilt daarbij.

Wat weten we?

Formeel en informeel leren
Een bekend onderscheid is dat tussen formeel en informeel leren. Formeel leren heeft betrekking op georganiseerde professionaliseringsactiviteiten (binnen of buiten de werkplek) zoals het volgen van cursussen, workshops en studiedagen. In een recente reviewstudie naar effectiviteit van formele professionaliseringsinterventies van leraren (Van Veen et al. (2009) komen verschillende succesfactoren naar voren zoals: de inhoud van de interventie moet gerelateerd zijn aan de dagelijkse lespraktijk en betrekking hebben op vakinhoud, vakdidactiek en/of het leren van leerlingen van dat specifieke vak; en leraren dienen een actieve (onderzoekende) rol te hebben.

Informeel leren vindt vaak ongepland en binnen de context van het werk plaats, al dan niet in interactie met collega’s. Voorbeelden zijn reflectie op de dagelijkse praktijk, feedback vragen aan collega’s, observeren. Studies naar dit type professionele ontwikkeling zijn vaak niet zozeer gericht op bepalen van effecten maar op het achterhalen van individuele en organisatie-factoren die bevorderend of belemmerend werken (zie bijvoorbeeld Runhaar et al, 2009). Het onderscheid tussen formeel en informeel is voornamelijk theoretisch van aard; in de praktijk zien we vaak combinaties van beiden terug.

On-the-job of off-the-job
On-the-job-leren (workplace learning) wordt in de literatuur steeds meer benadrukt, zowel in het leren voor als tijdens de beroepsuitoefening (zie bijvoorbeeld Tynjälä 2012). Mensen leren bijvoorbeeld door nieuwe uitdagende taken op te pakken, door samen te werken of door cursussen op het werk te volgen. Leren op de werkplek kan formeel en informeel zijn en er zijn verschillende factoren te benoemen die het ‘leerpotentieel’ (zie Nijhof et al. 2008) van de werkplek bevorderen. Individuele factoren zijn bijvoorbeeld de motivatie en ervaring van de lerende werknemer. Voorbeelden van organisatiefactoren zijn steun van de leidinggevende en een klimaat van samenwerking.

Leren op verschillende niveaus
Leren kan op verschillende niveaus plaatsvinden. De nadruk in onderwijskundig wetenschappelijk onderzoek lag tot voor kort vooral op de individuele leraar. Tegenwoordig wordt veel meer aandacht besteed aan de wijze waarop leraren gezamenlijk leren. Voorbeelden zijn onderzoek naar Communities-of-Practice (een groep mensen die een bepaald vraagstuk of passie voor een onderwerp deelt en die hun kennis en expertise op dat gebied verdiept door voortdurend met elkaar te interacteren), collectief leren (leren dat ontstaat wanneer leraren bewust streven naar bepaalde uitkomsten (Lodders 2013)) of teamleren (proces van actie en reflectie, bijvoorbeeld door vragen stellen, feedback, experimenteren, reflectie op resultaten en fouten (DeCuyper et al. 2010)).

Individuele of schoolontwikkeling
Professionele ontwikkeling kan gericht zijn op het verbeteren van de eigen praktijk of zijn ingebed in een schoolbrede ontwikkeling zoals de doorvoering van een nieuw onderwijsconcept. In de laatste categorie valt bijvoorbeeld het leren door onderzoek te doen naar schoolrelevante thema’s.

Dat betekent voor de praktijk

Wetende dat professionele ontwikkeling van leraren zowel formeel als informeel plaatsvindt en binnen en buiten de werkplek, betekent dat scholen zowel kunnen nagaan hoe zij de keuze voor de meest effectieve formele activiteit kunnen maken als nagaan hoe zij het leren in de dagelijkse praktijk kunnen bevorderen.

Wat het eerste betreft: Van Veen et al. (2009) formuleerden een aantal criteria voor het kiezen van de juiste cursus of opleiding:

  • Focus op vakinhoud en vakdidactiek
  • Actief leren en onderzoekend leren
  • Collectiviteit
  • Duur en permanentheid
  • Kwaliteit van de input (evidence-based)
  • Samenhang met (school)beleid
  • ‘Theory of improvement’ (duidelijke argumenten waarom de scholing bijdraagt aan verbetering van functioneren van leraar en leerling)

Wat betreft het tweede: er zijn vele studies verricht, binnen en buiten de onderwijskundige discipline, naar het bevorderen van leren op de werkplek. Runhaar et al. (2009) geven een indruk van deze factoren op taak-, team- en organisatieniveau:

Taakniveau:

  • Voldoende autonomie voor leraren
  • Werkdruk is niet te hoog

Teamniveau:

  • Leraren zijn afhankelijk van elkaar voor het succesvol uitvoeren van hun taken en om hun doelen te behalen.

Organisatieniveau:

  • Er is een duidelijk, goed omschreven en onderbouwd onderwijsconcept
  • Organisatieklimaat dat gericht is op leren en ontwikkeling (en waarin ‘fouten’ worden toegestaan)
  • Een consistent en zichtbaar HRM-beleid

Handreikingen

Meer informatie staat in praktijkgerichte publicaties van Hessing (2013) en Runhaar (2008).

referenties

Leraar24 helpt je graag met kennis over onderzoek en onderwijs in de praktijk.

Leraar24 helpt je graag met kennis over onderzoek en onderwijs in de praktijk.