onderzoek

Woordkennis bij begrijpend lezen VO

KNOW | bijgewerkt op 08 februari 2012

  • VO

Woorden zijn de dragers van betekenis – en in hun onderlinge relatie vormen ze kennis van de wereld. Hoe meer woorden een leerling kent, hoe makkelijker hij met nieuwe woorden uit de voeten kan. Er zijn immers al (heel) veel betekenisaspecten beschikbaar waar die nieuwe betekenisaspecten aangehaakt kunnen worden. Het voordeel van een grote woordenschat werkt ook de andere kant op: betekenis van onbekende woorden in een tekst kan afgeleid worden uit begrip van de woorden en zinnen eromheen.

Al vanaf de brugklas is het zinvol om bij leerlingen die laag scoren op tekstbegrip, na te gaan of het gaat om een woordenschatprobleem, een probleem met technisch lezen, of beide. Deze leerlingen hebben baat bij specifieke didactische (de Viertakt) en inhoudelijke interventies, en taalgericht vakonderwijs in het algemeen. Bewust en strategisch handelen als er woordproblemen opduiken zijn hierbij van belang.

Naast inhoudswoorden die de kennisconcepten van diverse vakken in zich dragen, is er ook een belangrijke rol in schriftelijke én mondelinge taal in de klas in het VO weggelegd voor algemene schooltaalwoorden. Het belang van aandacht voor wordt in toenemende gezien door wetenschap en praktijk.

Wat weten we?

Rondom het belang van woordenschat en woordkennis bespreken Bonset en Braaksma (2008) in hun reviewstudie van Nederlands onderzoek onder meer de volgende bevindingen:

  • Metacognitieve kennis, taalspecifieke kennis en snelheid van woord- en zinsbegrip dragen alle bij aan leesvaardigheid/tekstbegrip in het Nederlands zowel als het Engels (Van Gelderen e.a., 2007).
  • Op elk schooltype van het voortgezet onderwijs is ongeveer 20% van de leerlingen onvoldoende in staat de teksten die op school worden aangeboden met begrip te lezen, en kampt 14% met onvoldoende woordkennis die hen belemmert bij het begrip van de leerstof. Op zowel tekstbegrip als woordkennis scoren allochtone leerlingen significant lager dan niet-allochtone; dyslectische leerlingen scoren niet significant lager dan nietdyslectische (Hacquebord e.a., 2004).
  • Woordkennis is een belangrijke voorspeller voor tekstbegrip, maar dit geldt niet voor alle leerlingen in gelijke mate (Hacquebord, 2006).
  • 24 % van de vmbo-leerlingen is niet in staat de schoolboekteksten voor het eigen niveau met begrip te lezen. Deze leerlingen hebben vooral taalproblemen op woordniveau (Hacquebord, 2007).
  • Gemiddelde zins- en woordlengte van een tekst zijn geen goede voorspellers van het tekstbegrip van leerlingen; dekkingsgraad van basiswoorden door de tekst is dat wel. Dit gegeven kan worden benut bij de selectie van teksten voor een toetsinstrumentarium (Andringa en Hacquebord, 2000).

In onderzoek van Hacquebord e.a. (2004) worden twee relevante schoolse taalvaardigheden van brugklasleerlingen in beeld gebracht: het tekstbegrip van representatieve schoolboekteksten en de schoolse woordenschat. Daarnaast is er een enquête uitgevoerd onder leerlingen en docenten naar ervaren taalproblemen en taalbehoeften op school.

De woordkennis van leerlingen vertoont in alle schooltypen een minder grote variatie dan het tekstbegrip. Dit wordt echter deels veroorzaakt door het instrument waarmee gemeten is. Wel kan er vastgesteld worden dat op elk schooltype een substantieel deel van de leerlingen (14 %) met een onvoldoende woordkennis kampt die hen belemmert bij het begrip van de leerstof. De verschillen in woordkennis tussen anderstalige en Nederlandstalige leerlingen zijn op elk schooltype significant, terwijl dyslectische leerlingen niet significant anders scoren dan niet-dyslectici.

Het verband tussen woordkennis en tekstbegrip is in het algemeen significant; woordkennis is een belangrijke voorspeller voor tekstbegrip, meer dan de Cito-score. Er kan echter niet aangenomen worden dat dit verband voor alle leerlingen in gelijke mate geldt. Sommige leerlingen hebben bijvoorbeeld een onvoldoende woordkennis, maar weten toch een voldoende tekstbegripscore te halen.
Ongeveer de helft van de leerlingen geeft duidelijk aan behoefte te hebben aan de een of andere vorm van taal- en leesondersteuning op school. Met name de anderstalige leerlingen zijn hiervoor gemotiveerd. De behoefte aan woordverwerving is het sterkst. Dyslectische leerlingen geven aan problemen te hebben met schrijftaken (zowel spelling als zinsbouw als schrijfopdrachten in het algemeen).
De docenten signaleren bijna allemaal bij hun eigen vakken taalproblemen. Ze noemen vooral begrijpend en studerend lezen als struikelblokken. Het woordkennisprobleem van leerlingen lijken ze te onderschatten. De bereidheid van docenten om in hun lessen of op school taalondersteuning te geven aan leerlingen is groot.

Dyslectische en anderstalige leerlingen zijn kwetsbaar en lijken in sterke mate uit hun reserves te putten. Op basis van hun prestaties in de brugklas kan volgens de onderzoekers verwacht worden dat ze in de hogere leerjaren en in hogere schooltypen in de problemen komen en dreigen uit- of af te vallen.
Hacquebord (2006; zie ook Hacquebord en Scholman, 2006) gaat nader in op de relatie tussen woordkennis en tekstbegrip, op grond van de data uit Hacquebord e.a. (2004). Zij vraagt zich af in welke mate er in de brugklas woordkennisproblemen worden gesignaleerd, en in hoeverre problemen met het begrijpen van schoolboekteksten daarmee samenhangen, in het bijzonder bij anderstalige en dyslectische leerlingen.
Een kleine 15% van de leerlingen heeft een aantoonbaar woordkennistekort in relatie tot de moeilijkheidsgraad van hun schoolboekteksten. Deze bevindingen gelden voor elk onderwijsniveau, van vmbo tot en met vwo.

Woordkennis is een belangrijke voorspeller voor tekstbegrip; de gevonden correlatie in dit onderzoek is Dit verband geldt echter niet voor alle leerlingen in gelijke mate. Leerlingen met een voldoende woordkennis kunnen soms toch onvoldoende scoren op tekstbegrip en omgekeerd kunnen sommige leerlingen hun woordkennistekort compenseren door een goede leesaanpak.

Dat betekent voor de praktijk

Uit de omvangrijke en gedegen studie van Hacquebord naar tekstbegrip in relatie tot woordenschat bij brugklasleerlingen (in de constructieperiode van het toetspakket Diataal) blijkt dat de woordkennisscores van leerlingen in aanvulling op een zwakke tekstbegripscore zinvol is vanuit de vraag: hebben we nu te maken met een taal- of een leesprobleem? Anderstaligen hebben in elk schooltype een kleinere woordenschat. Bij hen zal een onvoldoende tekstbegrip dus vooral een taalprobleem zijn. Leerlingen met een taalprobleem moeten in de eerste plaats werken aan het vergroten van hun woordenschat en zijn gebaat met een didactiek waarbij ze leren woordbetekenissen uit de tekst te halen.

Dyslectische leerlingen hebben geen significante kleinere woordenschat. Zij hebben vooral een leesprobleem. Leerlingen met leesproblemen zijn gebaat bij een leescursus waarin ze leren hoe ze een tekst moeten aanpakken, en hoe ze hoofd- en bijzaken kunnen onderscheiden.

Aanbevelingen 

Anderstalige en dyslectische leerlingen zijn kwetsbare groepen voor wie een taalvaardigheidsonderzoek in het bijzonder van belang is. Maar in de brugklas zou een dergelijk onderzoek zinvol zijn bij alle leerlingen omdat ook veel Nederlandse leerlingen zwakke lezers zijn, al dan niet in combinatie met een kleine woordenschat.

Werken met woordenschatstrategieën buiten de taalles komt docenten niet zomaar aanwaaien. Een handreiking daarvoor is de volgende vertaalslag van Van Hasselt: op veel scholen wordt er al gewerkt met ‘Nieuwsbegrip’, een methode begrijpend lezen die inspeelt op de actualiteit. Met Nieuwsbegrip werken leerlingen aan lees- en woordenschatstrategieën. Doordat de docent de tekst ‘modelt’ (laat zien hoe hij de tekst leest) krijgen de leerlingen inzicht in hoe ze een tekst het beste aan kunnen pakken. Mignon van Hasselt van de CED-Groep laat zien hoe deze manier van werken zich niet alleen voor Nieuwsbegrip leent, maar juist ook voor het behandelen van vakteksten in bijvoorbeeld de les motorvoertuigentechniek. De aanpak van het voordoen – nadoen kennen we van oudsher juist ook uit de praktijkvakken, bijvoorbeeld bij motorvoertuigentechniek en bouwkunde.

Over de rol van taal en woordenschat bij realistisch reken-/wiskundeonderwijs is de laatste jaren veel te doen geweest. Prenger is een van de onderzoekers die daar op verschillende plaatsen over gerapporteerd heeft. Een helder voorbeeld hiervan is de volgende beschrijving van een artikel (Prenger 2007) op de Taalunie onderzoeksdatabank: tegenwoordig zijn bijna alle methoden die in het Nederlandse wiskundeonderwijs gebruikt worden gebaseerd op de ideeën van de Realistische Wiskunde. Deze ideeën hebben er toe geleid dat wiskundeopgaven altijd geplaatst worden in een rijke context. Hierdoor is de hoeveelheid taal en tekst in wiskundeboeken sterk toegenomen. Zowel voor autochtone als allochtone taalzwakke leerlingen kan dit problemen opleveren. In dit artikel beschrijft de auteur over welke talige hindernissen leerlingen daadwerkelijk struikelen als ze hardop denkend een wiskundeopgave oplossen. Het patroon in de demonstraties van onbegrip dat het meeste voorkomt, is dat de leerlingen moeite hebben met het construeren van het beeld van de tekst. Zeker een kwart van de leerlingen vertoonde dit patroon. Bij de meeste leerlingen ontstond het probleem, doordat ze een woord in het geheel niet bleken te kennen. Leerlingen verschillen in de mate waarin ze zelf onderkennen dat ze een woord niet kennen. Er moet meer aandacht in het wiskundeonderwijs zijn voor het proces van tekstreconstructie. Bij de hulpvraag van een leerling moet duidelijk worden wat hij niet begrijpt: de wiskunde of de tekst van de opgave.

Handreikingen

De Basislijst Schooltaalwoorden VMBO bevat een selectie van 1600 schooltaalwoorden en is opgedeeld in een algemene categorie en vijf verschillende schoolvakken: biologie, mens & maatschappij, economie, wiskunde en natuurkunde. Door speciale aandacht te besteden aan de schooltaalwoorden in de brugklas en de onderbouw kunnen de leerlingen de teksten van het vak beter begrijpen. Een belangrijke stap naar betere leerresultaten. Bij de overgang van het basisonderwijs naar het voortgezet onderwijs is gebleken dat niet alle (vmbo-)leerlingen schooltaalwoorden en vakwoorden voldoende beheersen. Deze woorden zijn nodig om de lesstof van verschillende schoolvakken te begrijpen. De beheersing van schooltaalwoorden en vakwoorden is een belangrijke voorwaarde voor een succesvolle schoolloopbaan.

Met Woordenweb kan gespeeld worden met ruim duizend schooltaalwoorden. Deze woorden zijn afkomstig uit het Posterproject. Dit is een programma waarbij wekelijks een aantal woorden centraal staan met behulp van kleurige posters in de klas. De leerlingen oefenen de woorden van die week met invuloefeningen en leuke spelletjes in een werkschrift.

Referenties

Titel Beschrijving in Taalunieversum onderzoeksdatabank
Auteur(s) Gelderen, A. van, Schoonen, R., Stoel, R.D., De Glopper, K. & Hulstijn, J.
Jaar 2007

Titel Het schoolvak Nederlands opnieuw onderzocht
Auteur(s) Bonset, H. & M. Braaksma
Jaar 2008

Titel De moeilijkheidsgraad van schoolboekteksten als grondslag voor het vaststellen van tekstbegripsvaardigheid
Auteur(s) Andringa, S.J., & Hacquebord, H.
Jaar 2000

Titel Woordkennis als onderdeel van taaldiagnostisch onderzoek
Auteur(s) Hacquebord, H.
Jaar 2006

Titel Taalproblemen en taalbehoeften in het voortgezet onderwijs
Auteur(s) Hacquebord, H.
Jaar 2004

Titel De leesvaardigheid van vmbo-leerlingen
Auteur(s) Hacquebord, H.
Jaar 2007

Titel Voortgezet taalvaardig
Auteur(s) Hacquebord, H., Linhorst, R., Stellingwerf, B., & Zeeuw, M. de
Jaar 2004

Titel Diagnostiek van leesproblematiek van dyslectische en anderstalige leerlingen in de brugklas
Auteur(s) Hacquebord, H., & Scholman, M.
Jaar 2006

Titel De techniek van begrijpend lezen. De aanpak van Nieuwsbegrip, ook in de vakles. In: Les. jaargang 2010, nummer 167
Beschrijving Op veel scholen wordt er al gewerkt met 'Nieuwsbegrip', een methode begrijpend lezen die inspeelt op de actualiteit.
Auteur(s) Hasselt, M. van
Jaar 2010

Titel Uitgerekend taal! Een onderzoek naar begripsproblemen bij wiskundeopgaven. in: Levende Talen Tijdschrift, jrg. 8 , nr.2 p. 10-16
Beschrijving Wat is de bron van onbegrip van leerlingen bij het oplossen van een wiskundetaak?
Auteur(s) Prenger, J.
Jaar 2007

Nog vragen?

Leraar24, het LerarenOntwikkelFonds en de Kennisrotonde helpen je graag.

Stel je vraag!

geef jouw waardering:

(klik om te waarderen)

Schrijf zelf een reactie

Als je je e-mailadres invult kunnen wij reageren op je reactie. Het e-mailadres wordt niet op de site getoond.

Gerelateerd