Minister Dennis Wiersma: ‘Leraren moeten meer ruimte krijgen voor wat écht belangrijk is’
actueel
po vo

Minister Dennis Wiersma: ‘Leraren moeten meer ruimte krijgen voor wat écht belangrijk is’

Het masterplan basisvaardigheden krijgt zowel lof als kritiek, en roept vooral ook vragen op bij leraren. Want hoe breng je dit als school in de praktijk, zeker in tijden van een zorgwekkend lerarentekort? Hoe zit het nu met die basisteams? En zorgt een focus op die vaardigheden niet voor nog meer toetsdruk? Onze ambassadeur Angela Esajas (oud-Leraar van het Jaar en zelf leerkracht) voerde namens Leraar24 een kritisch maar goedgemutst gesprek met minister Dennis Wiersma van Primair en Voortgezet Onderwijs.

  • Deze video kan worden embed
Transcript

Het masterplan basisvaardigheden krijgt zowel lof als kritiek, en roept vooral ook vragen op bij leraren. Want hoe breng je dit als school in de praktijk, zeker in tijden van een zorgwekkend lerarentekort? Hoe zit het nu met die basisteams? En zorgt een focus op die vaardigheden niet voor nog meer toetsdruk? Onze ambassadeur Angela Esajas (oud-Leraar van het Jaar 2021 en zelf leerkracht) voerde namens Leraar24 een kritisch maar goedgemutst gesprek met minister Dennis Wiersma van Primair en Voortgezet Onderwijs.

Beeldtekst:
Angela Esajas
Ambassadeur Leraar24

Al lopend door een hal met portretten in het Ministerie van Onderwijs in Den Haag, spreekt Angela rechtstreeks in de camera.

ANGELA: “Ik ben Angela Esajas. Ambassadeur Leraar24. En ook onderwijzeres. Ik sta al ruim twaalf jaar voor de klas. En ik ben onlangs uitgeroepen tot leerkracht van het jaar basisonderwijs 2021.

Maar goed, genoeg over mij. Ik sta hier in het prachtige gebouw hier in Den Haag. Het Ministerie van Onderwijs. Ik mag in gesprek met minister Wiersma over zijn masterplan basisvaardigheden. Super veel zin in. Maar ik ga hem natuurlijk behoorlijk aan de tand voelen.”

Angela en minister Wiersma zitten tegenover elkaar, met een tafeltje tussen hen in. Op het tafeltje staan twee glazen met water. Angela richt zich tot de minister en stelt hem vragen.

ANGELA: “Minister Wiersma, kunt u kort uitleggen waarom het masterplan basisvaardigheden zo belangrijk is voor u? Want daarom zitten we natuurlijk hier.”

MINISTER WIERSMA: “Ja.”

ANGELA: “Ik heb hem gelezen en ook meerdere keren gelezen. Maar wat is uw drijfveer?”

Beeldtekst:
Dennis Wiersma
Minister Primair en Voortgezet Onderwijs

MINISTER WIERSMA: “Als het masterplan alleen voor mij zinnig was, dan hadden we het niet moeten doen. Het is niet zo heel relevant wat ik, als één iemand, vind. Maar het is voor Nederland belangrijk, omdat wij zien dat als je in Nederland de basis beheerst, van goed lezen, rekenen en schrijven, dat dat betekent hoeveel je daarna van een boek snapt. Een studie gaat doen. Hoeveel je begrijpt van de informatie die je leest op internet. En of je waarheid en onwaarheden van elkaar kunt onderscheiden.

Maar ook dat je daarna een sollicitatiebrief kan schrijven. Bankzaken kan regelen. Er zit heel veel aan vast dat begint met lezen, rekenen en schrijven. En wie zien best een grote groep in Nederland die daar moeite mee heeft. Tweeënhalf miljoen mensen.

Als wij willen voorkomen dat onze kinderen later ook bij die groep aansluiten, dan moeten we er nu alles aan doen dat zij in ieder geval die basis meekrijgen. En dan moeten we ook eerlijk zijn over dat wat we nu zien, in alle cijfers die we hebben, dat dat elk jaar minder goed wordt. Dat betekent niet dat we nu helemaal in nood zitten, maar wel echt dat we voor tien jaar lang de focus moeten brengen naar die basisvaardigheden.”

ANGELA: “Denkt u dat het huidige niveau van de basisvaardigheden ook iets te maken heeft met het huidige leerkrachtentekort? Loopt dat hand in hand? Hoe ziet u dat?”

MINISTER WIERSMA: “Ik denk dat alles wat je in het onderwijs nu ziet en ingewikkeld is, samenhangt met of je voldoende mensen kunt vinden. Maar ook de mensen die er zijn, of die ook het gevoel hebben of ze voldoende hun werk kunnen doen. En ik denk dat we nu heel veel verwachten van de leraren. Dat wij duidelijker moeten zijn over wat echt belangrijk is. En dat we met zijn allen soms wat meer mogen helpen om alles wat ook belangrijk is op school mogelijk te maken. Dat we die leraren niet overladen met alles wat moet. Want dan zie je wel dat dat concurreert en de basis er misschien wel bij inschiet.”

ANGELA: “En als u het heeft over basisvaardigheden, dan benoemt u eigenlijk taal, rekenen, wiskunde, digitale geletterdheid en burgerschapsvorming. Wie bepaalt dat dat de basisvaardigheden zijn?”

MINISTER WIERSMA: “Ja, de echte basis is gewoon lezen, rekenen en schrijven. Burgerschap, maar ook digitale vaardigheden, die zitten nu niet in het curriculum. Dat zit niet voldoende in het leerplan. Dat betekent dat we niet duidelijk zijn over wat daar moet gebeuren. We vinden het wel heel belangrijk. Maar basisvaardigheden als burgerschap en digitale geletterdheid die hebben we met name hier ook zo benoemd, omdat ze nog te weinig in het leerplan zitten.”

ANGELA: “Als ik kijk naar het masterplan dan staat daarin best wel centraal de bijscholing en nascholing van leraren. Bedoelt u met die professionalisering álle leraren of een specifieke groep?”

MINISTER WIERSMA: “Het is in algemene zin belangrijk dat als je met elkaar in het onderwijs een stap wilt maken, door de focus op de basis te leggen, maar ook te zorgen dat dat dan ook goed lukt en dat je daar tijd voor hebt. Die tijd is er niet alleen maar om goed les te geven, maar die tijd is er soms ook voor nodig om zelf even na te denken over de lessen die je geeft en om je lessen voor te bereiden. Dat valt allemaal onder een noemer. Dat kan je professionaliseren noemen, bijscholing of bijles. Dat zijn eigenlijk allemaal taken. Of normale dingen die er nu bij in schieten. Dat bedoel ik met extra ruimte maken voor leraren.”

ANGELA: “Ik ben zelf leerkracht en wil mezelf ook constant blijven ontwikkelen en ik zie om me heen ook collega’s die dat willen. Maar er is gewoon geen mankracht.”

MINISTER WIERSMA: “Ja.”

ANGELA: “Hoe zou je dat dan concreet willen oplossen? Hoe dan?”

MINISTER WIERSMA: “Ik begrijp heel goed dat je soms denkt hoe ga ik dit überhaupt rondkrijgen? En dan ook nog: mooi dat ik extra uren krijg om iemand anders te vragen om mij te helpen of te ontzorgen. Maar is diegene er wel? Ik denk dat dat een terechte vraag is en dat hoeft ook niet altijd een bevoegde leraar te zijn.

De zoektocht met basisvaardigheden is voor mij ook wel, dat vinden we echt belangrijk, dat dat ook echt door die bevoegde leraar wordt gegeven en dat daar ook echt voldoende tijd voor is. Die tijd moeten we garanderen voor de leerlingen en voor jou. Je moet je ook goed kunnen voorbereiden op die tijd. En je moet ook ruimte hebben voor begeleiding van de leerling.

Dat betekent dat je aan twee kanten iets moet doen. Op werkdruk betekent dat dat we in het voortgezet onderwijs driehonderd miljoen euro hebben vrijgemaakt. Honderdvijftig miljoen, dus een helft daarvan, is nu gegaan naar veertig uur extra, bovenop de vijftig uur die de leraar had, dus bijna een verdubbeling, wat je kan inzetten om de werkdruk te verlichten. Dat is iemand om je heen vinden, en dat hoeft niet altijd een docent te zijn, maar bijvoorbeeld iemand die kan surveilleren. Iemand die wat administratie kan doen of wat organisatiewerk van je kan overnemen.

Dat is de ene helft. Die andere helft van de driehonderd miljoen dat wordt besteed aan de scholen zelf, die daar zelf maatregelen vanuit kunnen nemen. Dus de persoonlijke component en de scholen component. Dat is het deel werkdruk.

En dan heb je het deel van tijd om je lessen echt voor te bereiden. Tijd voor jezelf zou je kunnen zeggen om je kennis ook up to date te houden. Dat is professionalisering en daar zijn ook extra uren voor afgesproken. Ook in de CAO’s. Maar dat vraagt wel dat we met elkaar genoeg handen om die school heen hebben om te helpen. Dat is wel best ingewikkeld. Maar daar moeten we de samenleving ook wel nog meer vragen om ons daarbij te helpen.”

ANGELA: “Ik heb ook gelezen dat je de effectieve leer- en ontwikkelmiddelen benoemt. Ik merkte dat ik daar heel erg van schrok, want zijn onze methodes dan niet toereikend? Wat ontbreekt er nu?”

MINISTER WIERSMA: “Effectieve middelen die gaan niet over wat je nu doet. Dus waarschijnlijk, en daar vertrouw ik op, gebeuren er op heel veel plekken in het onderwijs dingen omdat dat bewezen effectief is, omdat dat maatregelen of methoden zijn die werken. Als wij kunnen helpen om dat aan te raken en te laten zien. Dan is dat ook voor jou een mogelijkheid om uit te putten. En je misschien door te laten inspireren.

En als het niet voor jou werkt, is het misschien voor iemand anders wel weer behulpzaam om daar te lezen wat ook werkt en wat ook kan. En dat geeft, als het goed is, richting aan de focus op basisvaardigheden en dan ook de goede methode om daar snel het beste resultaat mee te halen.”

ANGELA: “Als ik kijk naar het masterplan dan heeft u het ook over basisteams. Wie zijn die experts en welke middelen worden er dan ingezet? Hoe ziet zo’n basisteam eruit?”

MINISTER WIERSMA: “Dat is een belangrijke vraag voor mij, want over basisteams hoor je misschien heel veel mensen spreken, of je vindt er iets van of denkt: wat zal dat zijn? En hoe kunnen zij nu ineens wel mensen vinden voor mijn school die ik zelf niet kan vinden? Er is ook heel veel verwarring, denk ik, over. Dus wat wij nu doen, is dat we zeggen: we gaan snel aan de slag met zo’n masterplan maar we willen proberen een aantal scholen extra te helpen.

Dat betekent eigenlijk dat we aan die scholen vragen wat zij nog van ons nodig hebben om beter je werk te kunnen doen. Ik merk ook dat de mensen in het onderwijs een beetje moeten wennen. Want die dachten: het ministerie komt met de regels, de inspectie en een zak geld. Nee, ik vind ook dat wij met betrokkenheid en echte hulp moeten komen. Iemand hier van het ministerie gaat met jou dat gesprek voeren. Die is ook jouw helper om te zoeken wie we daar allemaal bij nodig hebben. Zo proberen we om zo’n school zo’n basisteam te organiseren. En dat zijn mensen die wij ook gaan zoeken. Die gaan wij zoeken vanuit allerlei organisaties die wij kennen. Er zijn ook mensen binnen het ministerie die misschien kennis hebben. En die zetten we in, in zo’n school, om te helpen.

Voor het einde van het jaar hopen we al 144 gesprekken afgerond te hebben. Dan hoop ik dus ook al een start te maken met van die basisteams op scholen. Daar horen we wel positieve reacties op. En het is voor anderen ook nieuw, als je het nog niet gezien hebt. Kijk, we gaan daar de komende jaren mee door. Dus als je daar behoefte aan hebt, is er ook voor jou ruimte om hulp te krijgen van zo’n team.”

ANGELA: “Eerst was het loting, geloof ik? Via loting kon je dan aanspraak doen op zo’n basisteam. Maar nu gaan jullie dat anders doen. Kan je daar misschien wat meer over vertellen?”

MINISTER WIERSMA: “Ja, we hebben een start moeten maken met dit masterplan, maar we wilden daar ook wel meteen geld voor vrijmaken en dat geven aan scholen. Er was een grote belangstelling, echt wel duizenden aanmeldingen voor maar een paar honderd plekken. Dus we hebben een deel kunnen werken met echt alleen geld. En een deel, een kleiner deel, met die basisteams.

Maar we willen die in de komende jaren echt gaan inzetten daar waar het nodig is. Dat betekent dat we zicht moeten hebben op waar dat nodig is. En we gaan dat voor de nieuwe aanvragen ook meteen beter doen. We bouwen dat ook op, zodat we in de komende jaren ook echt heel duidelijk voor scholen hebben, wanneer krijg je hier nou geld voor en wat wordt er dan van je verwacht. En op welke basis kan je dan ook mensen aannemen, want dat is voor scholen ook heel belangrijk en dat snap ik ook. Maar dat betekent dat wij dat ook moeten organiseren. En dat is nog best een klus.

ANGELA: “Van experts, en wat je ook veel in hoort in onderwijsland is dat het soms net lijkt alsof we een beetje een toetscultuur zijn. Als je dan kijkt naar die basisvaardigheden, dat masterplan, dan heb je ook experts die zeggen dat kinderen de ruimte moeten hebben om na te denken over hun eigen identiteit en hun rol in de wereld.

Als je dan naar het masterplan kijkt, bent u het dan eens met de kritiek dat we nu weer op een bepaalde manier met toetsen gaan meten of dat wat we willen doen ook goed is?”

MINISTER WIERSMA: “Kijk, als er angst is voor: er wordt wel heel veel getoetst en ook op een smal deel dan moeten wij er alles aan doen dat die angst niet bewaarheid wordt. Want dat is niet wat we willen. Ik bedenk hier ook geen toetsen. Ik zeg alleen en dat zeggen we met het onderwijs: we zien dat die basisvaardigheden naar beneden gaan en we willen dat die omhoog gaan.

Dat leent zich heel goed voor heel veel combinaties met vakken. Met geschiedenis als je een boek wilt lezen. Maar het burgerschap gaat ook over wat kom je allemaal tegen in je omgeving en wat zie je op televisie. Aan wat er speelt, of kan ik mezelf zijn of mezelf gaan ontdekken? Mag ik ook een foutje maken? Dat hoort er allemaal bij. Dat hoort bij die basis.

Ik denk alleen dat waar we bij moeten helpen, dat dat niet zo uitdijt. Dat dat niet meer te doen is. Zowel voor de leerling als voor jou. Dat niet meer duidelijk is wat je echt moet leren. En wat er moet en wat er kan. En dat het ook wel helpt als we dan duidelijk zijn over wat moeten we in ieder geval weten van de leerlingen met zijn allen.

Ik zei al, we hebben een loting moeten doen, wat ik heel jammer vond, omdat we een onvoldoende goed beeld hebben van hoe het staat met de basisvaardigheden bij leerlingen. Dus dan is het belangrijk dat we in ieder geval duidelijk zijn over: hoe krijgen we daar goed zicht op? En misschien heb je daar bij wijze van spreken één keer een toets voor nodig, of hoe je dat wilt doen. Dat betekent niet dat er dan automatisch nog honderd andere toetsen nodig zijn. We willen juist duidelijkheid scheppen over wat moet dan in ieder geval. En dat geeft, als het goed is, heel veel ruimte voor heel veel dingen die niet moeten. Waar de school zelf over kan gaan en waar jullie gesprekken over kunnen voeren: moeten wij minder gaan toetsen?

Het LAKS, de jongeren, hebben daar ook heel veel terechte punten over. Die zeggen: die toetscultuur, die zorgt dat ik dan iets moet gaan weten, dan ga ik zweten en daarna ben ik het weer vergeten. Nou ja, dat is een mooie drieslag die wel klopt. Het moet er juist niet toe leiden dat we alleen maar meer gaan toetsen. Het moest juist leiden tot: wat moeten we in ieder geval doen en wat willen we met zijn allen weten? Op basis daarvan krijg jij dan ook extra geld als er wat werk aan de winkel is. En krijg je dan ook extra hulp.

Wij moeten dan ook weten aan wie we dat geven en andere moeten dan ook snappen waarom we dat doen. Nu is dat allemaal een beetje vaag. Dat helpt niet en dat wil ik duidelijk maken.”

ANGELA: “Ik wil u ontzettend bedanken voor uw tijd. Ik weet dat je altijd zegt dat wij je als leraar altijd kunnen bereiken. Misschien kun je nog eventjes zeggen waar we dan naartoe kunnen mailen?”

MINISTER WIERSMA: “Ja, want heel graag doen we dit nog een keer en als je het leuk vindt en je hebt een vraag of je vindt het juist helemaal niet leuk en je hebt een klacht: beide mogen naar mij toe. Dat is dennis@minocw.nl.”

Beeldtekst:
dennis@minocw.nl

ANGELA: “Ik heb eigenlijk nog zoveel meer vragen, maar het zit er op.”

MINISTER WIERSMA: “Dan doen we het later nog een keer.”

ANGELA: “Ja, heel graag. En ik wens je heel veel succes en een licht hart toe. Dat je zo blijft zoals je bent.”

Op een witte achtergrond staat het logo van Leraar 24: een uitroepteken dat op zijn kant ligt. De tekst leraar 24 staat horizontaal in de steel weergegeven. De punt lijkt op een powerknop.

Onder het logo verschijnt: www.leraar24.nl.

Kunt u uitleggen waarom het masterplan basisvaardigheden zo belangrijk voor u is? 
“Als je in Nederland de basis beheerst van goed lezen, rekenen en schrijven, snap je de inhoud van een boek en kun je later een studie gaan doen. Het helpt je om de informatie te begrijpen die je leest op internet. Je kunt daardoor waarheden en onwaarheden van elkaar onderscheiden. Of je kunt een sollicitatiebrief schrijven en je bankzaken regelen. Heel veel zaken beginnen met lezen, rekenen en schrijven. Tweeënhalf miljoen mensen hebben hier moeite mee. Als wij willen voorkomen dat onze kinderen later bij die groep mensen aansluiten, moeten we er nu alles aan doen om hen in ieder geval die basis mee te geven.”

Denkt u dat het huidige niveau van de basisvaardigheden ook te maken heeft met het huidige leerkrachtentekort? 
“Ik denk dat alles wat in het onderwijs ingewikkeld is, samenhangt met of je voldoende mensen kunt vinden. Maar ook of de mensen die er zijn het gevoel hebben dat ze hun werk kunnen doen. Ik denk dat we nu heel veel verwachten van leraren en dat we duidelijker moeten zijn over wat echt belangrijk is.”

Waarom vallen nu juist deze vaardigheden onder basisvaardigheden?
“De echte basis is lezen, rekenen en schrijven. Burgerschap en digitale vaardigheden zitten nu niet of onvoldoende in het curriculum. We vinden die twee zaken wel heel belangrijk, daarom noemen we burgerschap en digitale geletterdheid zo specifiek bij de basisvaardigheden.”

In het masterplan staat de bijscholing en nascholing van leraren centraal. Wat bedoelt u daarmee?
“Als je met elkaar in het onderwijs een stap wilt maken door de focus op de basis te leggen, dan moeten we er ook voor zorgen dat leraren daar tijd voor hebben. Niet alleen maar om goed les te geven, maar ook om na te denken over de lessen die je geeft en hoe je die voorbereidt. Dat kun je professionalisering noemen, of bijscholing. Eigenlijk normale dingen, die er nu soms bij inschieten. Dat bedoel ik met extra ruimte maken voor leraren.”

Ik ben zelf leerkracht en wil mezelf ook constant blijven ontwikkelen. Om me heen zie ik collega’s die dat ook willen. Maar er is gewoon geen mankracht. Dus hoe zou u dit dan concreet willen oplossen?
“Ik begrijp heel goed dat je soms denkt: hoe ga ik dit überhaupt rond krijgen? Dan is het mooi om extra uren te krijgen en iemand anders te vragen om te helpen of te ontzorgen. Dat hoeft niet altijd een bevoegde leraar te zijn. Het is belangrijk dat lessen in de basisvaardigheden wel door een bevoegde leraar worden gegeven en dat daar voldoende tijd voor is. Die tijd moeten we garanderen. Je moet je goed kunnen voorbereiden en je moet ruimte hebben voor begeleiding van de leerling. 
Op het gebied van werkdruk hebben we daarom in het voortgezet onderwijs driehonderd miljoen euro vrijgemaakt. Honderdvijftig miljoen hebben we besteed aan veertig uur extra individueel keuzebudget bovenop de vijftig uur die een leraar al had. Dat is dus bijna een verdubbeling. Je kunt deze uren inzetten voor het verlichten van werkdruk. Voor de andere 150 miljoen kunnen leraren samen een plan voor hun school bedenken om de werkdruk te verlichten. Bijvoorbeeld door iemand te vinden die kan surveilleren, een deel administratie kan doen, of organisatiewerk van je kan overnemen. Dat hoeft niet altijd een docent te zijn. 
Daarnaast zijn er dus extra uren afgesproken voor professionalisering: om je lessen voor te bereiden en je kennis up-to-date te houden. Maar dat vraagt wel om genoeg helpende handen om de school heen. Daarom moeten we de samenleving nog meer vragen om ons hierbij te helpen.” 

U heeft het in het masterplan ook over basisteams. Wie zijn die experts en welke middelen zetten zij in? 
“Dit is een belangrijke vraag. Want over basisteams hoor je misschien veel mensen spreken, misschien vraag je je af wat dat zijn, misschien vind je er iets van. Of je denkt: hoe kunnen ze bij OCW ineens wel mensen vinden voor mijn school, die ik zelf niet kan vinden? We willen proberen een aantal scholen extra te helpen. Dat betekent dat we aan de scholen vragen wat zij van ons nodig hebben om hun werk nog beter te kunnen doen. Iemand van het ministerie komt echt met jou dat gesprek voeren om te onderzoeken wat er nodig is. We proberen vervolgens met jouw school zo’n basisteam te organiseren. De mensen die daarvoor nodig zijn gaan wij zoeken, binnen allerlei organisaties die we kennen. Er zijn bijvoorbeeld binnen het ministerie mensen die veel kennis hebben, die zetten we in om te helpen. Eind 2022 hebben we honderdvierenveertig gesprekken afgerond. Dan hoop ik al snel een start te maken met die basisteams op scholen. We krijgen hier positieve reacties op en gaan er de komende jaren mee door. Dus als je daar behoefte aan hebt, is er ruimte om hulp te krijgen van zo’n team.”

Sommige experts in onderwijsland vinden dat wij een toetscultuur hebben. Dat kinderen ook de ruimte moeten krijgen om na te denken over hun eigen identiteit en hun rol in de wereld. Wat vindt u van de kritiek dat het masterplan te veel op toetsen gericht is?
“Als er angst is omdat er veel wordt getoetst, en ook nog slechts op een smal deel, dan moeten wij er alles aan doen om te zorgen dat die angst niet bewaarheid wordt. Want dat is niet wat we willen. Ik bedenk geen toetsen. Ik zeg alleen dat we zien dat die basisvaardigheden afnemen en dat we willen dat die omhoog gaan.
De basisvaardigheden lenen zich goed voor combinaties met andere vakken. Met geschiedenis bijvoorbeeld, als je leerlingen een boek wilt laten lezen. Het helpt als we in ieder geval goed zicht krijgen op hoe het staat met hun basisvaardigheden. Daar heb je misschien een toets voor nodig, maar dat betekent niet dat er automatisch nog honderd andere toetsen nodig zijn. We willen duidelijkheid scheppen in wat er in ieder geval moet. Als het goed is, geeft dat veel ruimte omdat er dus ook veel dingen níet moeten. Het masterplan moet dus niet leiden tot meer toetsen, maar wel tot inzichten: wat moeten we in ieder geval doen en wat willen we weten? Dan weet je of er nog werk aan de winkel is en kun je op basis daarvan extra geld en hulp krijgen.” 

U zegt dat leraren u altijd kunnen benaderen. Waar kunnen we u bereiken? 
“Of je nu een vraag hebt of een klacht, je kunt me bereiken op dennis@minocw.nl.”

Nieuwsbrief

Schrijf je in voor de nieuwsbrief en ontvang elke maand de beste artikelen en video’s van Leraar24 in je mailbox.