Met Close Reading wordt begrijpend lezen wél leuk
praktijk
Leesbevordering po

Met Close Reading wordt begrijpend lezen wél leuk

Van het herkennen van signaalwoorden worden leerlingen geen betere lezers. Door de inhoud van de tekst centraal te zetten en die samen te doorgronden, wordt begrijpend lezen een stuk leuker. Close Reading is een methodiek waarmee je dat kunt doen.

Twee kinderen lezen een tekst in de klas

“Nederland is een van de weinige landen met begrijpend lezen als apart vak. Toch scoren we niet beter als je kijkt naar internationale toetsresultaten”, vertelt Tony van Dalen van onderwijsadviesbureau Expertis. Haar ideaalbeeld: begrijpend lezen integreren in andere vakken en in thematisch onderwijs. Maar veel scholen zijn daar nog niet aan toe. En houden vast aan begrijpend lezen als apart vak.

Durf de methode los te laten

Begrijpend lezen richt zich vooral op het aanleren van leestechnische strategieën, zoals het vinden van signaalwoorden en verwijswoorden. Volgens Van Dalen gaat het daar te vaak over en wordt voorbijgegaan aan de inhoud van de tekst zelf. “Dat de inhoud boeiend is en je er ook nog wat van kan leren, verdwijnt helemaal naar de achtergrond.” Maar hoe zit het dan met die lesmethodes? Die staan toch vol leestechnische strategieën? “Een methode is een hulpmiddel, geen doel”, aldus Van Dalen. Daarom adviseert ze om de tekst centraal te zetten, door bijvoorbeeld met de klas in gesprek te gaan over een uitdagende tekst met een prikkelend onderwerp. 

De tekst centraal zetten met Close Reading

Een goede manier om de tekst centraal te zetten, is door gebruik te maken van Close Reading. Leerlingen lezen de tekst dan meerdere keren, maar doen dat steeds met een ander doel. Zo leren ze teksten echt te doorgronden. Op die manier ervaren leerlingen dat ze een ingewikkelde tekst kunnen begrijpen en met allerlei teksten kunnen omgaan. Ook met die van andere vakken. “Uit onderzoek blijkt ook dat leerlingen die begrijpend kunnen lezen, hogere Cito-resultaten halen.” En – misschien nog wel belangrijker –  leerlingen gaan lezen leuk vinden. “Ze schrikken niet meer van een complexe tekst. Dat werkt ook bij vakken als biologie en geschiedenis, en bij verhaaltjessommen”, aldus Van Dalen. In onderstaande video zie je hoe leerlingen van basisschool De Regenboog in Schijndel hiermee aan de slag gaan.

  • Deze video kan worden embed
Transcript

In deze video gemaakt door Leraar24 vertelt taalcoördinator Diana Rijkers en kleuterlerares Tessa van Doorn in interviews over waarom het team van de basisschool de begrijpend leesmethode Close Reading gebruikt. De video bevat zowel beelden van lessituaties in een onderbouw- als in een bovenbouwklas. Ook enkele leerlingen komen aan het woord.

DIANA RIJKERS: “Close Reading is een methodiek waarbij leerlingen dieper in gaan op teksten. Waarbij ook duidelijk wordt wat de bedoeling van de de schrijver is. Door herhaald lezen .. .. leren kinderen steeds meer informatie uit de tekst of het boek te halen. We hebben gekozen voor Close Reading omdat we al lang aan het zoeken waren naar:hoe krijgen we het niveau van het begrijpend lezen omhoog bij onze kinderen. We zijn uiteindelijk uitgekomen bij Marieke Boers. Die heeft ons en onze leerkrachten begeleid in hoe pak je dit aan op onze school. En uiteindelijk hebben we gekeken naar hoe zetten we dit in? En dan blijkt ook dat de resultaten van begrijpend lezen omhoog gaan met deze methodiek.”

Leraar in de onderbouw Tessa van Doorn geeft les in de klas, waar de kleuters in de kring om haar heen zitten.

TESSA VAN DOORN: (LERAAR ONDERBOUW, IN DE KLAS): “Goedemorgen allemaal.”

TESSA VAN DOORN: (BIJ INTERVIEW): “Bij Close Reading is het in ieder geval zo dat je drie keer het boek of de tekst leest met de kinderen. Dus je doet eigenlijk drie sessies waarin je steeds dieper inzoomt op de tekst. Dat kan je doen door ze van tevoren een gerichte luistervraag mee te geven. Dat heb ik vandaag gedaan in sessie één.”

TESSA VAN DOORN: (IN DE KLAS): “Aan het einde van het boek wil ik dat we weten over wie het boek gaat. Over wat er gebeurt. En, waar het gebeurt. Jij mag gaan luisteren naar ‘wie’.”

De juf deelt kaarten uit.

TESSA VAN DOORN: “Floris mag ook gaan luisteren naar ‘wie’.”

TESSA VAN DOORN: “(BIJ INTERVIEW): Als je kijkt bij mij, bij de kleuters. Dan kijk ik dus wel naar welk kind geef ik nou het ‘wie’-kaartje, welk kind het ‘wat’-kaartje en welk kind nou het ‘waar’-kaartje. Want de jonge kinderen die er net zijn, hebben al genoeg aan een vraag als: Over wie gaat het nou eigenlijk? Terwijl als je het hebt over, wat gebeurt er? Dat kun je al wel geven aan kinderen die het al vaker gedaan hebben of al wat verder zijn in hun ontwikkeling. Kinderen krijgen dan ook echt een gerichte luistervraag. Daar ga je dan naderhand ook met de kinderen naar kijken van, klopt dat? Hebben we dat ook echt zo gezien?”

DIANA RIJKERS: “Als leerkrachten bereinden we in groepjes van drie de teksten voor. En dan gaan we kijken welke doelen we willen halen met onze groep. Dat begint al in de onderbouw. Met het kijken naar prentenboeken. Dan heb je het niet over zelf lezen van de tekst, maar over het goed luisteren naar de tekst. Het goed luisteren en steeds dieper ingaan tijdens die sessies, maakt dat in de loop van de jaren je merkt dat het begrijpend lezen bij de kinderen in de midden- en bovenbouw ook steeds beter gaat.”

TESSA VAN DOORN: “(IN DE KLAS): Nu heb je dat kaartje. En wie weet nog wat het rode kaartje betekende? Als het goed is heeft jouw buurman of buurvrouw ook een rood kaartje. Klopt dat?”

Eén kleuter reageert enthousiast en roept : “Ja!”. Achter haar zit ook Diana Rijkers die van buiten de kring de les observeert.

TESSA VAN DOORN: “Dat betekent dat Loïs en Loulou nu tegen elkaar gaan vertellen. Over wie het boek gaat.”

TESSA VAN DOORN: “(BIJ INTERVIEW): Er zitten een tweede verhaallijn in het boek, wat de kinderen helemaal de eerste keer niet doorzien. Nu zagen we vandaag dat er een jongetje was dat het al wel zag. Dat is mooi om te zien en daar de volgende keer verder op in te zoomen.”

In de klas toont Tessa een flipovervel aan de leerlingen die in drie delen is verdeeld. Links staat Wie? In het midden staat Wat? En rechts staat Waar?

TESSA VAN DOORN: “Dan kunnen we de volgende keer even gaan kijken naar wat we deze keer gevonden hadden over wie, wat waar. Dan gaan we de volgende keer eens kijken of er nog een verhaal in het boek zit.”

TESSA VAN DOORN: “(BIJ INTERVIEW): Nou hang ik dit straks op en dan ga ik woensdag of vrijdag nog een keer het boek doen. En dan zie je de kinderen meteen naar de poster kijken, van: o ja, dat was dit en dit. Ze zijn meteen weer betrokken in het boek. En als je het boek in de leeshoek zou leggen dan gaan de kinderen daar ook het verhaal heel goed navertellen. En aan elkaar voorlezen.”

DIANA RIJKERS: “We werken inderdaad in thema’s. Met leeromgevingen en die zijn in de hele school gelijk. En in iedere leeromgeving komen minstens twee Close Reading-teksten voor. Die sluiten dus aan bij het thema. Dus de zaakvakken zijn ook geïntegreerd in taal en begrijpend lezen. De leerlingen in de bovenbouw kiezen op interesse een tekst. Ze hebben een keuze uit een vijftal teksten.”

LEERKRACHT: “Gisteren zijn we begonnen met de eerste tekst. Wie gaat er dadelijk ook alweer naar de tekst van ‘Uitvinders gevraagd!'”

Een vinger van een leerling in de bovenbouwklas gaan omhoog.

LEERKRACHT: “Oké Lot, waar ging die tekst over?”

LEERLING: “Over hoe een fiets er vroeger uit zag. Dat het een hele hoge was. En dat het voorste wiel heel hoog was en het achterste heel klein.”

DIANA RIJKERS: “Ze zitten dan met groep zes, zeven en acht door elkaar. Kinderen helpen elkaar om de tekst te leren begrijpen. Ze werken met coöperatieve werkvormen. Daarmee kom je tegemoet aan de niveauverschillen tussen kinderen. Daarnaast stelt de leraar verdiepingsvragen aan de leerlingen die het nodig hebben of aan de bovengrens zitten.”

LEERLING: “Schrijf onder elkaar alle dieren op die in het verhaal voor komen. En alle mensen. Schrijf achter elk dier en mens, één of meer karaktereigenschappen.”

TESSA VAN DOORN: “De kinderen zijn veel gemotiveerder en dat zie je vooral ook in de bovenbouw. Ze zijn veel geïnteresseerder in de tekst en mogen hier dan ook nog kiezen op interesse. Dat maakt ze sowieso natuurlijk gemotiveerd.”

LEERLING: “Ik vind het wel leuk, want je mag zelf kiezen welke tekst je doet. En het zijn allemaal verschillende teksten. Sommige zijn moeilijk, andere weer makkelijker.”

TESSA VAN DOORN: “Maar kinderen merken ook dat je door zo naar een tekst te kijken, dat je er veel meer uit kunt halen. Ze zijn gemotiveerder en daardoor lukt het begrijpend lezen ook beter.”

Twee leerlingen beantwoorden de vragen bij een tekst op hun eigen vel papier. Op een witte achtergrond verschijnt het logo van Leraar 24: een uitroepteken op zijn kant. De tekst leaar 24 staat in de steel, en de punt lijkt op een powerknop. Onder het logo staat: www.leraar 24.nl.

Integrale aanpak van leesonderwijs

De Close Reading-lessen op De Regenboog staan niet op zichzelf, maar zijn ingebed in een bredere aanpak van het begrijpend leesonderwijs. Om van leerlingen sterkere lezers te maken, is het van belang om op verschillende niveaus leesbegrip en leesmotivatie aan te pakken. De Taalraad, een adviesorgaan van de Nederlandse Taalunie, schreef daarover het actieplan Effectief onderwijs in begrijpend lezen. Daarin staat dat er vijf kernthema’s zijn die met een integrale benadering zorgen voor een sterke aanpak. De kernthema’s zijn: 

  • werk vanuit urgentiebesef
  • werk met een taal-leesbeleid
  • werk met een effectieve vakdidactiek
  • werk aan leesmotivatie
  • geef formatieve feedback 

Meer weten?

Nieuwsbrief

Schrijf je in voor onze nieuwsbrief en ontvang elke maand de beste artikelen en video’s van Leraar24 in je mailbox.