Wat betekent lesgeven op een cluster 2-school?
praktijk
so

Wat betekent lesgeven op een cluster 2-school?

Cluster 2-scholen bieden onderwijs en ondersteuning aan leerlingen met een taalontwikkelingsstoornis en aan leerlingen die doof of slechthorend zijn. Omdat communiceren een uitdaging is voor deze doelgroep, staat taalonderwijs centraal in het cluster 2-onderwijs.

  • Deze video kan worden embed
Transcript

Deze video van Leraar24 gaat over het lesgeven op een cluster 2-school. Taalspecialisten Anne Mijke Verhagen en Karlijn Merijer vertellen hoe dat gaat op cluster 2-school Taalbrug Junior. Ook juf Marion Swinkels van groep 1 en juf Twanneke Roest van groep 4/5 delen hun ervaringen. De video wordt ondersteund met beelden van het onderwijs in de verschillende groepen.

Diverse beelden van leerlingen en leerkrachten in Taalbrug Junior.

ANNE MIJKE: “Wij zijn Karlijn en Anne Mijke, Taalspecialisten van Taalbrug Junior. Wij bieden onderwijs en ondersteuning aan kinderen met een taalontwikkelingsstoornis en dove of slechthorende leerlingen.”

KARLIJN: “Om onze leerlingen beter te leren communiceren hanteren wij op Taalbrug Junior een eigen taalmethodiek die uitgaat van de taal van het kind. Wat dat inhoudt en hoe lesgeven aan cluster 2-leerlingen er in de praktijk uitziet? Laten we jullie graag zien in deze video.”

ANNE MIJKE: “Kom, we gaan een kijkje nemen in de klassen van onze collega’s.”

KARLIJN: “We starten in groep 1 bij juf Marion.”

Karlijn en Anne Mijke lopen door de gang van Taalburg Junior.
Juf Marion is met een leerling bezig met een rollenspel.

MARION: “Is de bloemist in de winkel?”

MARION: “Ik geef les aan leerlingen met een cluster 2-indicatie. Dat zijn leerlingen met een taalontwikkelingsstoornis of slechthorend. Het komt er eigenlijk op neer dat ze moeite hebben met taalbegrip, woordbindingsproblemen, een kleine woordenschat, articulatie problemen.”

MARION: “Nou daar werken we op deze school heel intensief aan. De hele dag door werken we daar aan.”

MARION: “Zijn ze nat of droog?”

LEERLING 1: “Nat.”

MARION: “Ja, maar voel eens dan moet je even voelen. In deze klas gaan we met taal aan de slag door middel van veel inzet van communicatieve vaardigheden.”

MARION: “Je prikkelt de kinderen of de kinderen komen met hun eigen beleving of dingen die ze meemaken of ik neem iets mee. Daardoor ontstaat een gesprek. Daar maak je een bordles of een leesles van. Dat is eigenlijk het houvast of het thema waar je dan tien lesdagen gemiddeld mee gaat werken.”

MARION: “Zo hebben we een bordles gemaakt over zaadjes en bloemen en groeien. Aan de hand daarvan hebben we een themahoek gemaakt: De bloemenwinkel. Dan ga je spelenderwijs met de kinderen de taal daar oefenen en herhalen. Je vangt de kinderen. Ze willen iets vertellen en dan geef je de goede taal aan.”

MARION: “Zo hebben we ook gespeeld in de zandtafel. Daar zit nu potgrond in. Dus daar mogen ze potjes gaan vullen. Dan oefen je ook rekenbegrippen. Groot, klein, past het wel, past het niet. Dus heel veel alledaagse taal die je dan inzet en gaat oefenen.”

MARION TEGEN LEERLING 1: “Eerst de potjes. En dan de zaadjes daarna. En dan water.”

ANNE MIJKE: “Jullie hebben in de klas van juf Marion kunnen zien hoe we intensief met taal oefenen. Wij als taalspecialisten geven dan ook trainingen en ook cursussen aan leerkrachten, logopedisten, gedragswetenschappers en intern begeleiders. De training en de cursus zijn heel praktisch ingesteld, zodat de collega’s ze eigenlijk de volgende dag meteen weer in de praktijk kunnen brengen.”

KARLIJN: “Werken vanuit de taalcyclus, het vangen, herhalen van de taal in een verrijkte vorm, vraagt iets anders van je leerkrachtvaardigheden dan dat je gewend bent op een reguliere school.”

KARLIJN: “Wij geven de kinderen een taalbad. We dompelen ze als het ware onder in de taal. Als leerlingen er aan toe zijn, kunnen ze doorstromen naar de reguliere school. We hebben daarom heel veel kleuterklassen en minder bovenbouwgroepen.”

KARLIJN: “We gaan nu een kijkje nemen in de groep van juf Twanneke. Zij heeft groep 4/5.”

TWANNEKE: “Kaira, Liz, Youri, Donja. Top.”

TWANNEKE: “We proberen onze kinderen zelfredzaam te maken, zodat ze zich niet alleen in de klas kunnen redden en op het schoolplein, maar ook straks als ze naar de winkel gaan. Dat ze weten wat ze moeten doen en hoe ze moeten betalen. Hoe je de kassière groet bijvoorbeeld.”

TWANNEKE: “Maar bijvoorbeeld ook door in de klas al te oefenen met de zelfredzaamheid. Oké, ik heb een groep 4/5. De ene helft is aan het werk en de andere helft geef ik instructie.”

TWANNEKE: “Oh, je hebt een vraag. Nou eerst vraag je dan hoe kun je het zelf oplossen? Want ik kan niet mijn instructie stilleggen omdat jij een vraag hebt. Wat kun je dan zelf doen? Eerst aan de buurman gaan vragen of even overslaan. Dat soort dingen.”

TWANNEKE: “We zijn nu ook aan het werken dat ze de zelfstandige werktijd kunnen verlengen. Dat doen we dan met beloningen. Dus als ze goed werken dan mogen ze een stapje omhoog en dat motiveert enorm.”

Leerling 2: “Wat is dat?”

TWANNEKE TEGEN KLAS: “Heel goed! Goed geluisterd. Liz wil, altijd even kijken. Luister mee naar Liz.”

TWANNEKE: “En we verweven de taal ook altijd in gewone vakken, zoals spelling en rekenen. Dat soort dingen. Als je bijvoorbeeld tijdens een rekenles een woord tegenkomt dat ze als nieuwe taal hebben geleerd. Weten jullie dat woord nog? Herken je het nog? Wat betekent het ook alweer? En dan pak je het even terug en dan ga je daarna weer verder met je rekenen.”

TWANNEKE TEGEN KLAS: “Ik kan een zin…”

TWANNEKE: “Wij hebben echt een geweldige doelgroep. Je hebt maar een klein klasje en ze hebben zulke specifieke vragen. Ja, je moet iets geduldiger zijn als je hier werkt. Want het duurt soms even voordat kinderen bedacht hebben wat ze willen zeggen en voordat ze de zin hebben geformuleerd. Maar als het ze dan lukt, dan is het nog gaver dan in het regulier onderwijs.”

TWANNEKE: “En ik heb natuurlijk de luxe dat we niet alleen voor de klas staan. Want je werkt met de orthopedagoge, met de onderwijsassistenten, de logopediste en de vakleerkrachten, IB’ers. Alles werkt samen voor deze groep. Dus je doet het ook nooit alleen. Als je een moeilijker vraagstuk hebt, dan kun je overal terecht.”

TWANNEKE TEGEN KLAS: “Fijn wat knap! Supergaaf! We gaan het nog even afmaken, want de timer is bijna voorbij.”

TWANNEKE: “Iedere vorm van communicatie is goed. Als je je maar kunt uiten. Als kinderen het zelfvertrouwen krijgen om te gaan communiceren. Dan kunnen ze de wereld aan.”

LEERLING 1: “Kijk. Kijk even.”

KARLIJN: “Wij hopen dat we jullie met deze rondleiding een goed beeld hebben kunnen geven hoe wij werken op een cluster 2-school.”

ANNE MIJKE: “Heel erg bedankt voor het kijken.”

Op een witte achtergrond staat het logo van Leraar24: een uitroepteken dat op zijn kant ligt. De tekst leraar24 staat horizontaal in de steel weergegeven. De punt lijkt op een powerknop. Onder het logo verschijnt: www.leraar24.nl

Om cluster 2-leerlingen communicatief vaardiger te maken, ontwikkelde Taalbrug Junior een eigen taalmethodiek die uitgaat van de taal van het kind. Taalspecialist Anne Mijke Verhagen: “We werken op onze scholen met taalcyclussen, waarbij onze leraren en ondersteuners veel gesprekken met de leerlingen voeren. Hierbij herhalen ze de taal van de leerlingen in een verrijkte vorm.” 

Aan de hand van die gesprekken maken ze tweewekelijkse bord- en leeslessen die de woordenschat van de leerlingen uitbreiden. “Als taalspecialisten geven wij leraren, logopedisten, orthopedagogen en onderwijsassistenten een intensieve training in hoe je een taalcyclus inzet,” zegt Verhagen. “De trainingen zijn heel praktisch: als collega’s de volgende dag voor de klas staan, kunnen ze het geleerde meteen toepassen.”

Taaluitdagingen overwinnen

Marion Swinkels geeft les aan groep 1 bij Taalbrug Junior in Eindhoven. “Mijn leerlingen hebben diverse taaluitdagingen. Ze hebben bijvoorbeeld moeite met articuleren, een te kleine woordenschat, woordvindingsproblemen of taalbegripsproblemen. Ik vind het leuk om bij een leerling te ontdekken waar de taaluitdaging ligt en die kennis te gebruiken om hem verder te helpen. Cluster 2-leerlingen kunnen nog weleens gefrustreerd zijn omdat ze niet begrepen worden. Het is zo mooi om hun reactie te zien wanneer ze vooruitgang boeken en ineens wel duidelijk kunnen maken wat ze bedoelen.”

Doorstroom naar het regulier onderwijs

Leerlingen die zich communicatief kunnen redden en die voldoende geprofiteerd hebben van het intensieve taaltraject in het cluster 2-onderwijs, kunnen doorstromen naar het regulier onderwijs. Daardoor zijn er bij Taalbrug Junior veel minder bovenbouw- dan onderbouwgroepen. “Dat we de leerlingen hier op school onderdompelen in een taalbad, werpt z’n vruchten af,” zegt taalspecialist Karlijn Meijer. 

Leerlingen die uitstromen naar het regulier onderwijs komen in aanmerking voor een ondersteuningsarrangement. Ambulant dienstverleners uit het cluster 2-onderwijs werken dan met deze leerlingen aan hun communicatieve vaardigheden. 

Verbeterde hoortoestellen en hulpmiddelen

Het soort leerlingen dat cluster 2-onderwijs volgt, is de laatste jaren veranderd. Dankzij de gehoorscreening na de geboorte, technische ontwikkelingen in hoortoestellen en hulpmiddelen, kunnen veel dove en slechthorende leerlingen nu het regulier onderwijs volgen. Maar niet voor alle leerlingen is uitstroom naar het regulier onderwijs een optie. Voor een klein deel van de dove en slechthorende leerlingen blijft cluster 2-onderwijs noodzakelijk. Het merendeel van de huidige cluster 2-leerlingen heeft een taalontwikkelingsstoornis (TOS). Leerlingen met een ernstige taalontwikkelingsstoornis hebben veel baat bij de extra ondersteuning die een cluster 2-school biedt.

Over leerlingen met TOS

TOS is een neurocognitieve ontwikkelingsstoornis. Leerlingen met deze stoornis verwerken taal minder goed en hebben daardoor moeite met praten en het verwerken van taal. Denk hierbij aan:

  • spraakproductie en -waarneming woordenschat
  • woordvinding en zins- en tekstbegrip (lexicaal-semantische kennisontwikkeling)
  • woordvorming en zinsbouw (morfo-syntactische kennisontwikkeling)
  • taalgebruiksregels en verhaalopbouw (pragmatiek)

Veel leerlingen met TOS hebben ook sociaal-emotionele uitdagingen en minder zelfvertrouwen. Daarnaast heeft TOS consequenties voor de cognitieve vaardigheden van leerlingen omdat hun taal- en denkontwikkeling minder goed verloopt.

Zelfredzaamheid vergroten

Net als in de andere Taalbrug Junior-klassen houdt Twanneke Roest zich in haar groep 4/5 de hele dag met taal bezig. “Een onderdeel daarvan is werken aan de zelfstandigheid van leerlingen en aan het je kunnen redden in sociale situaties. Ze leren bijvoorbeeld hoe ze kunnen aangeven dat ze iets niet fijn vinden.”

In het cluster 2-onderwijs moet je geduldiger zijn dan in het regulier onderwijs, zegt Roest. “Het duurt soms lang voordat een leerling uit zijn woorden komt. Des te waardevoller is het als je elkaar begrijpt.” Wat Roest bijzonder vindt aan haar klas is dat leerlingen elkaar onderling helpen. “Omdat ze zich goed in elkaar kunnen verplaatsen, snappen ze vaak van elkaar wat ze bedoelen. En wanneer ze begrepen worden, groeit hun zelfvertrouwen. Het is geweldig om dat als leraar te zien gebeuren.”

Meer weten?

Nieuwsbrief

Schrijf je in voor onze nieuwsbrief en ontvang elke maand de beste artikelen en video’s van Leraar24 in je mailbox.