Cluster 2 voor dove en slechthorende kinderen en kinderen met een taalontwikkelingsstoornis

lerarenredactie | bijgewerkt op 16 maart 2010

Voor kinderen die doof, slechthorend zijn of een taalontwikkelingsstoornis hebben, is meedoen op school niet vanzelfsprekend. Deze kinderen kunnen in aanmerking komen voor extra ondersteuning. Dat kan zijn in de vorm van plaatsing op een cluster 2-school voor (voortgezet) onderwijs of ondersteuning op een reguliere school.  
juf voor de klas die gebarentaal spreekt

Onder cluster 2 van het speciaal onderwijs vallen de scholen voor dove en slechthorende kinderen en kinderen met een communicatieve beperking. Dit kunnen ernstige spraak- of taalmoeilijkheden zijn of een vorm van autisme waarbij de communicatie het belangrijkste probleem is en niet het gedrag.

Grote variatie in ontwikkeling

De meeste dove en slechthorende kinderen (D-SH) hebben horende ouders (95%). De doelgroep is zeer gevarieerd (IQ, gehoorverlies, syndromen, bijkomende problemen, thuissituaties, etc.). De ontwikkeling van deze kinderen kent daardoor zeer veel variatie.

De meeste D-SH kinderen leren Nederlands spreken en verstaan, maar hoe goed zij deze taal leren, verschilt enorm. Het verstaan van gesproken Nederlands kost zeer veel luisterinspanning. Om de talige ontwikkeling en interactie te stimuleren, kan er gebruik gemaakt worden van gebaren. Bijvoorbeeld in de vorm van Nederlands met Gebaren (NmG): het gesproken Nederlands is dan de doeltaal en de gebaren vergemakkelijken het begrip. Omdat niet alle woorden en grammaticale elementen visueel ondersteund kunnen worden door een gebaar, is NmG niet altijd goed toegankelijk. Wel toegankelijk is de Nederlandse Gebarentaal (NGT). Daarom wordt deze taal gebruikt in het tweetalig onderwijs aan D-SH. Ook voor leerlingen die later naar het reguliere onderwijs gaan kan vaardigheid in deze taal belangrijk zijn: zij kunnen dan gebruik maken van NGT-tolken.

Begrijpend lezen komt later

Voor een goed functioneren in de maatschappij is een goede leesvaardigheid onontbeerlijk. Kinderen leren lezen op basis van mondelinge taalvaardigheid. Omdat de mondelinge taalvaardigheid van D-SH kinderen (erg) achterloopt op die van horende kinderen kost leren lezen meer inspanning en duurt het langer voor deze leerlingen tot begrijpend lezen komen. Onderzoek heeft aangetoond dat zelfs als het leren lezen bij kinderen met een cochleair implantaat (CI)¹ in eerste instantie voorspoedig lijkt te verlopen er later, in het voortgezet onderwijs, achterstanden optreden.

Kwetsbare groep

Dove en slechthorende kinderen vormen een kwetsbare groep als het gaat om de sociaal-emotionele ontwikkeling en welbevinden. Dit komt onder andere door de vertraagde of verstoorde ontwikkeling omdat er veel expliciet moet worden toegelicht, verklaard en uitgelegd aan deze kinderen. Een andere reden is dat D-SH kinderen thuis (en op school) meestal de enige zijn met een verminderd gehoor. Zij hebben geen rolmodellen en kunnen zich zeer eenzaam voelen. Veel kinderen die in eerste instantie het reguliere onderwijs bezochten – en dat met goede resultaten – zoeken in een latere fase van hun leven contact met de gemeenschap van doven.

Categorieën auditieve beperking

  • normaal horend tot licht slechthorend: 0 tot 30 dB verlies. Gehoorverlies dat door betrokkene wordt opgemerkt in lawaaiige omgevingen.
  • licht tot matig slechthorend: 30 tot 60. Gehoorverlies waar betrokkene ook in een stille omgeving last van heeft, groepsgesprekken zijn een probleem.
  • ernstig slechthorend: 60 tot 70. Groepsgesprekken zijn heel moeilijk, gesprekken op luide toon worden wel verstaan.
  • zwaar slechthorend: 70 tot 90. Gesprekken op luide toon worden nog wel gehoord, maar niet altijd verstaan.
  • doof: 90 tot 110. Ondanks een hoortoestel kan een gesprek met één persoon niet worden gevolgd.
  • diepdoof: 110 tot 120. Het oor neemt alleen nog wat trillingen waar.
  • vibratiedoof (vanaf 120): Trillingen worden niet meer waargenomen

Daarnaast wordt er onderscheid gemaakt in prelinguaal doven (doof geboren of voor het derde levensjaar doof geworden) en postlinguaal doven (na het derde levensjaar doof geworden).

Leerlingen met een taalontwikkelingsstoornis

Leerlingen met een ernstige taalontwikkelingsstoornis (TOS) horen tot de doelgroep van de vier instellingen voor cluster 2. Een TOS wordt gedefinieerd als: “Een stoornis in de ontwikkeling van spraak en/of taal. De stoornis staat op zichzelf en is niet te verklaren vanuit sensorische, cognitieve, neurologische of emotionele problemen, zoals een lage intelligentie, een gehoorstoornis, een afwijking aan de spraakorganen, neurologische problemen, een contactstoornis of extreme deprivatie.”

Onderzoeken tonen aan dat taalontwikkelingsstoornissen bij 5 tot 7% van de leerlingen in de basisschoolleeftijd in een bepaalde vorm voorkomen. Niet alle leerlingen met een TOS komen voor ondersteuning in aanmerking. De vier instellingen ondersteunen ongeveer 0,5% van het totale aantal TOS-leerlingen in het po en vo, alleen degenen die een ernstige TOS hebben.

Taal- en spraakproblemen

De leerlingen met een TOS zijn een zeer heterogene groep. Recent wetenschappelijke inzichten tonen aan dat een TOS bepaald is door  meerdere factoren. De taalontwikkelingsstoornis kan zich uiten in hardnekkige problemen op een of meerdere gebieden van de taal en spraak:

  • spraakproductie en -waarneming
  • woordenschat, woordvinding en zins- en tekstbegrip (lexicaal-semantische kennisontwikkeling)
  • woordvorming en zinsbouw (morfo-syntactische kennisontwikkeling)
  • taalgebruiksregels en verhaalopbouw (pragmatiek)

Veel van de leerlingen met een TOS zijn minder sociaal vaardig en hebben een laag zelfbeeld. TOS heeft consequenties voor het cognitieve vaardigheden, omdat de taal- en denkontwikkeling minder goed verloopt. Naast de kenmerken van TOS is er vaak een combinatie met problematiek als ASS, ADHD en/of dyslexie (of ernstige lees- en spellingproblemen). 

Onderzoek naar taalontwikkeling is een betrekkelijk jonge tak binnen de wetenschap. De instellingen werken samen met partners binnen het onderwijs, de behandeling en diagnostiek en ook met universiteiten en hogescholen om inzicht in en expertise van effectieve en efficiënte behandel- en begeleidingsmogelijkheden te vergroten.

Specialistische ondersteuning

De Commissie van Onderzoek (CvO) van de instelling neemt een besluit om voor specialistische ondersteuning of onderwijs (oftewel het ‘onderwijsarrangement’) in aanmerking te komen. Bij het maken van de afweging kijkt de commissie naar de ernst van de stoornis of beperking, de onderwijsbehoefte van de leerling en de ondersteuningsvraag van de school. De CvO maakt hierbij gebruik van de landelijke Siméa-richtlijn. Dit gebeurt in overleg met de school en de ouders (en de leerling).

Cluster 2-onderwijs

Op een cluster 2-school wordt zo veel mogelijk het lesprogramma van een gewone school doorlopen. De groepen zijn klein en er is veel aandacht voor het ontwikkelen van communicatiemogelijkheden. Hierbij kan ICT een belangrijke rol spelen. Er zijn diverse extra faciliteiten zoals speciale computers en er is meer begeleiding aanwezig, onder andere door logopedisten en orthopedagogen.

Instellingen voor cluster 2

Auris, Kentalis, VierTaal en Vitus Zuid zijn gespecialiseerd in begeleiding en onderwijs voor leerlingen van cluster 2. De instellingen werken samen in Siméa. In 2017 ontvingen zo’n 17.000 leerlingen onderwijs of ondersteuning in 53 locaties, verdeeld over het hele land. Bijna de helft van deze leerlingen kreeg ambulante begeleiding en ondersteuning in het reguliere onderwijs. 

 

¹ Het CI (cochleair implantaat) is een elektronisch apparaat dat geluidsgolven omzet in elektrische impulsen die de gehoorzenuw in het oor direct stimuleren.

Leraar24 helpt je graag met kennis over onderzoek en onderwijs in de praktijk.

Leraar24 helpt je graag met kennis over onderzoek en onderwijs in de praktijk.